11/6606 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 september 2011, 11/1241 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 februari 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 januari
- Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. OVERWEGINGEN
- Appellant was werkzaam als medewerker accounting bij Delta Lloyd Services B.V. Op 28 september 2010 heeft hij zich vanwege psychische klachten ziek gemeld. De arbeidsovereenkomst van appellant is met ingang van 1 oktober 2010 beëindigd. Appellant heeft op 2 februari 2011 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Na onderzoek is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 3 februari 2011 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 2 februari 2011 is appellants uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 3 februari
- Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 11 maart 2011 ten grondslag gelegd.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om te oordelen dat de conclusie van het Uwv gebaseerd is op een onjuist, onvolledig of onzorgvuldig onderzoek. Volgens de rechtbank was het Uwv voldoende op de hoogte van de klachten van appellant en zijn er voor appellant in het geheel geen beperkingen aangenomen. Op grond van dat laatste was de rechtbank van oordeel dat appellant in staat geacht moet worden om niet alleen zijn eigen arbeid te verrichten, maar tevens ieder andere functie.
- In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak betwist. Hij blijft erbij dat hij niet in staat is om zijn arbeid te verrichten en dat het Uwv onvoldoende aandacht aan zijn klachten heeft besteed. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij volgens zijn behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige duidelijke symptomen van het syndroom van Asperger vertoonde.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding en zij op verantwoorde wijze hebben geconcludeerd dat appellant op die datum niet buiten staat was om zijn arbeid te verrichten. 4.
- De in hoger beroep herhaalde gronden kunnen geen ander licht op de zaak werpen, aangezien appellant geen (nieuwe) medische gegevens heeft overgelegd. De door hem in hoger beroep ingebrachte en in algemene bewoordingen gestelde informatie van het internet inzake personen met het syndroom van Asperger in relatie tot hun werksituatie kan daarvoor niet in de plaats worden gesteld. Bovendien heeft appellant naar eigen zeggen gedurende 41 jaar naar volle tevredenheid en zonder problemen bij dezelfde werkgever gewerkt. Hierdoor moet het onwaarschijnlijk worden geacht dat de door appellant ingebrachte informatie op hem van toepassing is. Er is derhalve onvoldoende reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen, zoals door appellant ter zitting is verzocht.
- Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari
- (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) Z. Karekezi