← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1515

11/3991 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, 10/5635 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 19 februari 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [R.], gemachtigde, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari

  1. Voor appellant is [R. ] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft op 26 februari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. 1.
  4. Bij brief van 22 maart 2010 heeft het hoofd Werkplein Den Haag Noord appellant gevraagd om nadere gegevens in te leveren, te weten een inschrijfbewijs bij de Kamer van Koophandel in verband met het eigen bedrijf van appellant en bewijs van inkomsten uit de eigen onderneming van appellant als designer/freelancer. 1.
  5. In reactie op dit verzoek heeft appellant bij brief van 30 maart 2010 het volgende bericht: “Ik meld u dat ik niet ben ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ik ben ook niet van plan als freelancer te gaan werken. Ik vermeld dat alleen op mijn CV, omdat dat positiever overkomt dan de vermelding dat ik sinds juli 2009 werkloos ben. Ik heb ook geen opdrachten (van derden) ontvangen en dus zeker geen inkomsten daaruit verkregen.” 1.
  6. Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken, waardoor het recht van appellant op bijstand niet kan worden beoordeeld. 1.
  7. Bij besluit van 5 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2010 ongegrond verklaard, primair wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [R. ], en subsidiair op de grond dat appellant geen inzage heeft gegeven in zijn bedrijfsactiviteiten waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de primaire grondslag van dat besluit niet toereikend geacht voor handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijstand, maar de subsidiaire grondslag wel. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant niet alleen op zijn CV vermeldt dat hij werkzaam is als freelancer maar zich ook, los van zijn CV, als zodanig presenteert op een eigen website die er op is gericht om opdrachten te verwerven. De verklaring van appellant over zijn activiteiten en eventuele verworven inkomsten is te summier gebleven, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
  9. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd, samengevat, dat het vermelden op je CV dat je gedurende een bepaalde periode als freelancer actief bent geweest geen enkele betekenis kan worden toegekend in die zin, dat je daadwerkelijk opdrachten hebt vervuld en nog vervult, en dat je inkomsten hebt verkregen. Hij heeft er verder op gewezen dat hij na een eerdere aanvraag om bijstand van 22 oktober 2009 is begonnen bij een door de gemeente ingeschakeld re-integratiebedrijf om daar een her- en bijscholingsprogramma te volgen, maar dat dit programma op last van de gemeente werd afgebroken omdat hem geen bijstand werd toegekend.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.
  12. Tussen partijen is uitsluitend nog in geding de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit. Anders dan de rechtbank en het college, is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende aanknopingspunten bestaan om te oordelen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting door appellant diens recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld. 4.2.
  13. Appellant heeft in het kader van de behandeling van zijn aanvraag melding gemaakt van zijn website. Op vanwege het college gestelde vragen heeft hij antwoord gegeven, onder meer bij zijn brief van 30 maart
  14. Appellant heeft voorts geen onaannemelijke verklaring gegeven voor de reden waarom hij zich op zijn website profileert als designer of als webdesigner en daar ook laat zien welke ontwerpen hij in het verleden heeft gemaakt. In dit verband is verder van belang dat appellant consequent heeft verklaard zich niet te willen inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, omdat hij werk in loondienst ambieert. Hij heeft, voorafgaand aan de indiening van de onderhavige aanvraag, enkele keren gesolliciteerd naar functies in loondienst. Dat hij in zijn CV en in zijn sollicitatiebrieven een verwijzing heeft opgenomen naar websites met voorbeelden van zijn werk is, gelet op de functies waarop hij solliciteerde, namelijk als ontwerper en grafische medewerker, niet verwonderlijk. Tevens komt betekenis toe aan het gegeven dat appellant, toen zijn eerdere aanvraag om bijstand in behandeling was, heeft meegewerkt aan een re-integratietraject tot her- en bijscholing, gericht op inschakeling in de arbeid in loondienst. 4.2.
  15. Appellant heeft erkend dat er in 2010 een enkel verzoek om informatie is geweest, voortvloeiend uit bezoeken van derden aan zijn website. In de gedingstukken zijn evenwel geen aanknopingspunten te vinden om aan te nemen dat appellant daadwerkelijk als freelancer opdrachten heeft verworven. Evenmin is uit de door appellant overgelegde bankrekeningen dan wel anderszins gebleken van inkomsten of van ongebruikelijke en niet verklaarbare transacties. Onder de gegeven omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de activiteiten van appellant in de hier te beoordelen periode van 26 februari 2010 tot en met 6 april 2010 tot inkomsten hebben geleid. 4.2.
  16. Het college heeft, ook niet ter zitting van de Raad, duidelijk kunnen maken welke inlichtingen, benodigd voor een goede beoordeling van de aanvraag om bijstand, appellant nog diende te verstrekken, mede in aanmerking genomen de toelichting die appellant gedurende de loop van de bezwaar- en beroepsprocedure nog heeft gegeven op zijn situatie. 4.
  17. Uit 4.2 volgt dat ook de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. 4.
  18. Vervolgens dient te worden bezien welk gevolg aan dit oordeel moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen niet in stand worden gelaten. Het college zal nader onderzoek moeten doen naar het recht van appellant op bijstand over de periode vanaf de datum van de aanvraag van 26 februari
  19. Gelet daarop ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 april 2010, met inachtneming van deze uitspraak.
  20. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant, bestaande uit de reiskosten van zijn gemachtigde in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 5 juli 2010; - draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2010, met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 23,46; - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
  21. (getekend) C. van Viegen (getekend) P.J.M. Crombach

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.