← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1761

11/3897 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2011, 10/3263 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 20 februari 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari

  1. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante was voorheen werkzaam als schoonmaakster. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft zij zich op 27 januari 2010 ziek gemeld vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten. Op grond van de bevindingen van verzekeringsarts A.M.C. Vergroesen, neergelegd in haar rapportage van 19 maart 2010, heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2010 appellantes uitkering ingevolge de Ziektewet per 22 maart 2010 beëindigd, aangezien zij per die datum weer geschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. 1.
  3. Bij besluit van 3 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 3 augustus 2010 ten grondslag.
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen, waarbij zij informatie van de huisarts, de longarts en de chirurg hebben betrokken, voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusies kan dragen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Met name heeft de rechtbank hierbij overwogen dat de door appellante gemelde klachten kenbaar zijn meegewogen door de (bezwaar)verzekeringsarts, in welk verband de rechtbank ook heeft gewezen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 9 maart 2011 en 9 mei 2011, waaruit blijkt dat de klachten van appellante zijn beoordeeld en gemotiveerd in de afweging zijn betrokken. 3.
  5. In hoger beroep heeft appellante (samengevat) aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank onvoldoende acht hebben geslagen op de beperkingen die zij ondervindt vanwege enkelklachten, hielspoor en longklachten 3.
  6. Het Uwv heeft in verweer gemotiveerd verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  7. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  8. De rechtbank is met juistheid en voldoende gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het Uwv appellante terecht met ingang van 22 maart 2010 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In hoger beroep is door appellante geen (nieuwe) medische informatie naar voren gebracht die leidt tot het oordeel dat haar belastbaarheid op de datum in geding niet juist is vastgesteld. 4.
  9. Uit hetgeen in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari
  11. (getekend) J.J.T. van den Corput (getekend) D. Heeremans

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.