← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1767

11/5726 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2011, 11/700 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 20 februari 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, die vanaf 27 oktober 2008 in het kader van arbeidsactivering bij de sociale werkvoorziening achtereenvolgens werkzaam was als kledingsorteerder bij verschillende werkgevers, heeft zich op 26 maart 2009 ziek gemeld in verband met voetklachten. 1.
  3. Bij besluit van 23 september 2010 heeft het Uwv met ingang van 2 augustus 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd, omdat appellante al ziek was op het moment waarop haar verzekering voor de ZW begon. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. 1.
  4. Onder verwijzing naar rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv in het besluit op bezwaar van 14 januari 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, de aan het besluit van 23 september 2010 ten grondslag gelegde motivering gewijzigd in die zin dat appellante met ingang van 2 augustus 2010 op grond van de ZW niet ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaar. Ook anderszins heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde geschiktheid van appellante tot het verrichten van haar arbeid per 2 augustus 2010 voor onjuist te houden. De door appellante in beroep overgelegde medische stukken hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid nu uit deze stukken niet blijkt dat appellante op de datum in geding niet in staat kon worden geacht weer in haar arbeid te functioneren. Tenslotte heeft de rechtbank onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 30 november 2010 geoordeeld dat het Uwv mocht uitgaan van de thans gehanteerde functieomschrijving.
  6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste omschrijving van het begrip “eigen arbeid” in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW. Daarnaast is appellante van mening dat zowel het verzekeringsgeneeskundig als het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest en ondeugdelijk is onderbouwd. De rechtbank heeft haar oordeel ten onrechte op deze onderzoeken gebaseerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid. Dat is in het geval van appellante de functie van kledingsorteerder. 4.
  9. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is op inzichtelijke wijze en gemotiveerd aangegeven dat appellante geschikt wordt geacht voor haar arbeid. Er zijn evenmin aanknopingspunten om appellante te volgen in haar stelling dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste functieomschrijving. Volstaan wordt te verwijzen naar rechtsoverweging 15 van de aangevallen uitspraak. 4.
  10. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari
  12. (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) J.R. Baas

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.