11/6310 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 september 2011, 11/397 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant], voorheen handelend onder de naam [Bedrijfsnaam] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 15 februari
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W. Frankema, verbonden aan accon&avm juridisch advies b.v., hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni
- Voor appellant is verschenen mr. Frankema. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 27 augustus 2012 gereageerd op de pleitnota van de gemachtigde van appellant. Namens appellant is bij brief van 3 september 2012 hierop gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een tweede zitting. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 1.
- Namens appellant is bij brief van 30 september 2010 verzocht om restitutie van onverschuldigd betaalde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van voor 1 januari
- Het verzoek ziet in dit geval op restitutie als evenbedoeld over de jaren 2003, 2004 en 2005, voor zover de premie betrekking heeft op de arbeidsverhouding van [D.] met appellant. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat appellant door wisseling van boekhouder in het jaar 2010, ervan op de hoogte is gekomen dat bij de berekening van de premiebedragen over genoemde jaren, is aangenomen dat [D.], vader van appellant, verzekerd was ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Omdat in de onderliggende arbeidsverhouding tussen [D.] en appellant de familieverhouding een overheersende rol speelt, is er geen sprake van een dienstbetrekking vanwege het ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Namens appellant is voorts betoogd dat de verzekeringsplicht rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Wegens het ontbreken van een gezagsverhouding is er volgens appellant nimmer verzekerings- dan wel premieplicht ontstaan. Tot slot heeft appellant er op gewezen dat het Uwv bij de vaststelling van de premie geen onderzoek heeft verricht naar de verzekeringsplicht van [D.]. 1.
- Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant over de jaren 2003, 2004 en 2005 besluiten, zijnde afrekennota’s, heeft ontvangen. Hiertegen is destijds geen bezwaar gemaakt waardoor deze rechtens onaantastbaar zijn geworden. Het verzoek van 30 september 2010 heeft het Uwv opgevat als een verzoek om herziening van deze besluiten. Om met succes een beroep te kunnen doen op herziening van een eerder ingenomen standpunt moet sprake zijn van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat hiervan niet gebleken is, heeft het Uwv dit verzoek bij besluit van 13 oktober 2010 afgewezen. 1.
- Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 27 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het herzieningsverzoek van 30 september 2010 wat betreft de jaren 2003 en 2004 is ingediend buiten de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV, zodat reeds om deze reden het verzoek niet kan worden ingewilligd. Wat betreft het jaar 2005 is te kennen gegeven dat voor herziening op grond van artikel 11, vierde lid, van de CSV, ook slechts ruimte bestaat indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het door appellant aangevoerde in bezwaar merkt het Uwv niet aan als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, die aanleiding geeft om terug te komen op de eerdere premienota over
- 2.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Ook als een herzieningsverzoek is gebaseerd op artikel 11, vierde lid, van de CSV dienen ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld te worden. Dat de verzekeringsplicht van rechtswege wordt vastgesteld maakt dit niet anders. Er blijft immers sprake van een verzoek om terug te komen op een eerder genomen besluit tot premievaststelling. Van appellant mocht dan ook worden verlangd dat hij nieuwe feiten en omstandigheden aanvoerde. 2.
- Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant gestelde familierelatie en het als gevolg daarvan niet bestaan van een reële gezagsrelatie, feiten en omstandigheden zijn die appellant ook had kunnen aanvoeren tegen het besluit tot vaststelling van de premie over het jaar
- Daarom is, ook indien het verzoek is gebaseerd op artikel 11, vierde lid, van de CSV, geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Dat appellant, nadat hij was overgestapt naar zijn huidige boekhouder, te weten is gekomen dat hij (mogelijk) geen premie verschuldigd is, maakt dit niet anders.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat alleen in geschil is de besluitvorming over het jaar
- Volgens appellant heeft het Uwv ten onrechte artikel 4:6 van de Awb aan zijn besluit ten grondslag gelegd omdat het verzoek moet worden opgevat als een verzoek tot het nemen van een besluit tot verzekeringsplicht met een daaruit voortvloeiend verzoek tot premierestitutie. Omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat en deze bij de vaststelling van de premie in het jaar 2005 door het Uwv niet is getoetst, had het Uwv een inhoudelijk onderzoek moeten instellen naar de verzekeringsplicht van [D.]. Dat jarenlang premie is betaald, brengt niet automatisch mee dat er sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding op grond waarvan eventueel uitkering wordt verstrekt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar diverse uitspraken van de Raad.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Aan de orde is het oordeel van de rechtbank over de vraag of het Uwv terecht heeft kunnen weigeren de voor [D.] in het premiejaar 2005 betaalde premie te restitueren. 4.
- De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en geoordeeld inzake het te hanteren toetsingskader, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.1 en overweegt in aanvulling hierop nog als volgt. 4.
- Aan het oorspronkelijke premiebesluit over het jaar 2005 ligt een loonopgave van appellant ingevolge artikel 10, tweede lid, van de CSV, ten grondslag. In vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer zijn uitspraken van 11 maart 2010 en 2 augustus 2006 gepubliceerd in LJN BL9022 en LJN AY5574, ligt besloten dat een werkgever bij het doen van deze loonopgave zich bewust dient te zijn welke loonopgaven hij moet doen. In dit verband dient de werkgever tevens te beoordelen of sprake is van een premieplichtige arbeidsverhouding. Bij twijfel dient hij informatie in te winnen bij het Uwv. Appellant heeft voorafgaande aan het doen van de loonopgave het Uwv niet verzocht om nadere informatie. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de CSV stelt het Uwv naar aanleiding van en op basis van de loonopgave van de werkgever vervolgens de premie vast. Hierin ligt dus besloten dat sprake is van verzekeringsplicht. Appellant heeft vervolgens tegen het premiebesluit over 2005 geen rechtsmiddel aangewend zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Aldus heeft het Uwv het thans aan de orde zijnde verzoek tot premierestitutie terecht opgevat als een verzoek dat ertoe strekt dat het Uwv van dit eerdere premiebesluit terugkomt en van appellant mogen verlangen dat hij nieuwe feiten en omstandigheden aanvoerde. 4.
- De omstandigheid dat appellant in 2010 door de nieuwe boekhouder erop is gewezen dat er op onjuiste gronden premie zou zijn afgedragen voor de arbeidsverhouding tussen appellant en [D.], is niet aan te merken als nieuw feit of veranderde omstandigheid. Dit had appellant, mede gelet op zijn verantwoordelijkheid bij de loonopgave, tegen het oorspronkelijke premiebesluit naar voren kunnen brengen. 4.
- Voor zover appellant, onder verwijzing naar diverse uitspaken van de Raad, wil stellen dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht dan wel in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, slaagt deze grond niet. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel in gevallen waarin het Uwv wel een inhoudelijke beoordeling zou hebben gedaan, waarbij onder meer is verwezen naar de uitspraak van deze Raad van 11 maart 2010, LJN AF7295, slaagt reeds hierom niet omdat de Raad in deze uitspraak zich alleen heeft uitgelaten over de tussen partijen nog resterende vraag inzake de termijn van premierestitutie ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV. Evenmin slaagt een beroep op de uitspraak van de Raad van 3 maart 2005, LJN AT
- In deze uitspraak was sprake van een uitzonderlijke situatie waarin door de rechtsvoorganger van het Uwv een voorbehoud was gemaakt met betrekking tot de verzekeringsplicht. Daarvan is hier geen sprake geweest. Dat het Uwv in de onderhavige zaak niet een afzonderlijk besluit ten aanzien van de verzekeringsplicht heeft genomen, zoals aan de orde in de uitspraak van 2 augustus 2006, LJN AY5574, brengt niet mee dat het Uwv een dergelijk besluit alsnog dient te nemen. De verantwoordelijkheid van de loonopgave ligt immers bij de werkgever. Van de zijde van de appellant is nimmer om een onderzoek verzocht. Een beroep op de uitspraak van 11 maart 2010, LJN BL9022 kan appellant ook niet baten. In deze uitspraak wordt melding gemaakt van de omstandigheid dat het Uwv is teruggekomen op de verzekeringsplicht ten aanzien van één werknemer en is overgegaan tot premierestitutie. Echter, die omstandigheid stond in die uitspraak niet ter discussie. Wel was in geschil de weigering op het verzoek van premierestitutie van 34 andere werknemers, welk verzoek op juiste gronden wegens gebrek aan nieuwe feiten en omstandigheden niet was gehonoreerd. 4.
- Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) G.J. van Gendt QH