← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1915

12/1722 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [A. te B.] (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak 21 februari

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 maart 2012, kenmerk BZ01365799 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari
  2. Daar is namens appellant mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN
  3. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellant is geboren in 1944 in het toenmalig Nederlands-Indië. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, te weten internering in kamp De Wijk ten tijde van de Bersiap-periode. Appellant is niet in aanmerking gebracht voor een uitkering of voorziening op de grond dat bij hem geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Daartoe is overwogen dat de bij appellant aanwezige psychische klachten en hoge bloeddruk duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld. 1.
  5. In mei 2011 is namens appellant wegens toename van de psychische klachten opnieuw een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. Daarbij is gewezen op een rapportage van de arts G.J. Laatsch, die appellant heeft onderzocht in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). 1.
  6. Bij besluit van 28 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder - voor zover hier van belang - de aanvraag afgewezen op de grond dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Daarbij is wederom overwogen dat de psychische klachten van appellant niet het gevolg zijn van het aanvaarde oorlogsgeweld.
  7. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt. 2.
  8. De geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, heeft op verzoek van verweerder de klachten van appellant opnieuw medisch beoordeeld. Daarbij is ook het rapport van Laatsch betrokken. Zijn conclusie luidt dat, hoewel de psychische klachten ten opzichte van 2009 inderdaad zijn toegenomen, met betrekking tot de causaliteit uit het onderzoeksverslag van Laatsch blijkt dat de internering in de Bersiap-periode bij het ontstaan van de psychische klachten nog altijd geen betekende rol speelt. 2.
  9. Vervolgens is na gemaakt bezwaar advies gevraagd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze heeft het advies van Maas onderschreven. Ohlenschlager geeft aan dat appellant vele traumatische gebeurtenissen in zijn jonge leven heeft meegemaakt, maar dat alle aanwezige psychische symptomen/klachten zijn te verklaren uit de buiten de internering gelegen gebeurtenissen. 2.
  10. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. Daarbij is van belang dat voor de toepassing van de AOR andere - in dit geval ruimere - maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo. Om die reden kan aan het rapport van Laatsch niet de betekenis worden gehecht die appellant eraan toegekend wil zien. Het beroep van appellant op sequentiële oorlogstraumatisering kan evenmin slagen. Aan de essentiële voorwaarde dat het oorlogsgeweld van betekenende invloed moet zijn geweest op het ontstaan van de psychoproblematiek wordt, zoals uit genoemde medische adviezen blijkt, niet voldaan. Uit deze adviezen blijkt duidelijk dat de psychische klachten aan andere oorzaken moeten worden toegeschreven. Daarmee faalt ook het beroep dat is gedaan op de in artikel 2, tweede lid, van de Wubo geregelde omgekeerde bewijslast. 2.
  11. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  13. (getekend) R. Kooper (getekend) V.C. Hartkamp HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.