12/3646 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) Datum uitspraak 21 februari
- PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 april 2012, kenmerk BZ01390360 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari
- Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, geboren in 1943, is in 1974 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Als zodanig zijn aan haar een periodieke uitkering en verschillende voorzieningen toegekend. Aanvaard is dat de bij appellante aanwezige psychische klachten, waaronder de psychosomatische hoofdpijnen, en oorpijnen in causaal verband staan met de vervolging. 1.
- In augustus 2011 heeft appellante een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten voor balneotherapie gedurende tweemaal twee weken per jaar (inclusief begeleiding en bijbehorend vervoer). Die aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 21 september 2011 en deze afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.
- Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.
- Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wuv worden, kort samengevat, indien de vervolgde ziekten of gebreken heeft die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan, de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig vergoed. 2.
- Verweerder heeft geweigerd de kosten van balneotherapie te vergoeden op de grond dat deze voorziening niet medisch noodzakelijk is vanwege de uit de vervolging voortvloeiende klachten. In het bijzonder is overwogen dat balneotherapie een therapievorm is die geïndiceerd kan worden geacht bij vervolgingsgerelateerde aandoeningen aan het bewegingsapparaat, longklachten en huidklachten. Verweerder ziet deze therapie niet als een gangbare en ook niet als een adequate therapie voor de behandeling van psychische klachten. Dit standpunt is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs, die daarbij de ontvangen informatie van de huisarts en de informatie uit de zogenoemde behandelende sector hebben betrokken. 2.
- De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan het standpunt dat verweerder heeft ingenomen. Van doorslaggevende betekenis hierbij is dat balneotherapie zich niet (primair) richt op de behandeling van de psychische en psychosomatische klachten, maar specifiek ziet op de behandeling van gewrichtsklachten, longklachten of huidklachten. Dergelijke klachten zijn door appellante niet aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Dat een aantal artsen aangeeft dat de psychische gesteldheid van appellante door de balneotherapie in gunstige zin wordt beïnvloed, brengt niet mee dat daardoor sprake is van een medische noodzaak in de zin van artikel 20 van de Wuv. 2.
- In beroep heeft appellante alsnog gewezen op de diverse huidaandoeningen waaraan zij lijdt en die naar haar mening ook het gevolg zouden (moeten) zijn van de psychische klachten. Zij verwijst naar een verklaring van de dermatoloog Avner Shemer van 17 juni 2012 die balneotherapie aanraadt voor de behandeling van de huidklachten. Deze beroepsgrond kan verder onbesproken worden gelaten nu het bestreden besluit hierover niet handelt. Dat was ook niet nodig, omdat appellante bij haar aanvraag of in bezwaar deze klachten niet heeft gemeld. Uiteraard staat het appellante vrij om zich met een nieuwe aanvraag tot verweerder te wenden. Dan zal wel eerst worden getoetst of deze klachten in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging. 2.
- Het beroep van appellante moet ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
- (getekend) R. Kooper (getekend) V.C. Hartkamp HD