11/7357 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [A. te B.] (appellante) de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak 21 februari 2013. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2011, kenmerk BZ01381289 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante is de weduwe van [naam betrokkene] (betrokkene), geboren in 1940 in het toenmalig Nederlands-Indië. Betrokkene is in 1976 erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv). Een uitkering is hem toen echter geweigerd. Daartoe is overwogen dat sprake was van beenklachten, maar dat deze niet door de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Tegen deze weigering heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Het bezwaar is in 1977 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft daartegen geen beroep ingesteld. 1.2. In december 2006 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenningen op grond van de Wubo of de Wuv, naar gelang het gunstigste is. Bij besluit van 15 augustus 2007 is erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Het ging daarbij om internering in een kamp in Ambarawa tijdens de Japanse bezetting. Aanvaard is dat bij betrokkene sprake was van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Op grond van de Wubo zijn hem met ingang van 1 december 2006 een toeslag, een garantie-uitkering, een vergoeding van huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Een periodieke uitkering is echter geweigerd. Daartoe is overwogen dat zijn werkbeëindigingen in 1969 en 2002 geen verband hielden met zijn oorlogsinvaliditeit. 1.3. Bij afzonderlijk besluit van 15 augustus 2007 is de aanvraag op grond van de Wuv afgewezen. Daarbij is aanvaard dat betrokkene psychische klachten had, die in verband stonden met de vervolging. Overwogen is echter dat deze klachten niet hadden geleid tot een verminderd verdienvermogen. Van de longklachten en reumatische klachten van betrokkene is aangenomen dat deze door andere oorzaken zijn ontstaan. 1.4. Betrokkene is op 6 juni 2008 overleden. 1.5. Bij brief van 15 februari 2011 heeft appellante verzocht om als weduwe van betrokkene in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wuv. Zij heeft er verder op gewezen dat betrokkene pas na 32 jaar de erkenning op grond van de Wubo heeft gekregen die hij al in 1976 had aangevraagd. Volgens haar zijn destijds grote fouten gemaakt. 1.6. Bij besluit van 24 augustus 2011, nummer EA01 WUV 000369, is aan appellante met ingang van 1 februari 2011 op grond van de Wuv een periodieke uitkering als nabestaande toegekend. Bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2011, nummer EA01 WUB 000556, is haar een periodieke uitkering als nabestaande op grond van de Wubo geweigerd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard. 2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.1. In artikel 7, aanhef en onder d, e en f, van de Wubo zijn de voorwaarden genoemd om als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Kort gezegd, moet het burger-oorlogsslachtoffer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.