← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2024

10/5795 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 september 2010, 09/2823 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 8 februari

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november
  2. Voor appellante is verschenen mr. P.J. de Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser en mr. P.C.P. Veldman. Het onderzoek is heropend. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en een stuk ingezonden. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 november
  3. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN
  4. Bij besluit van 2 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 20 februari 2009 en 23 februari
  5. Bij het besluit van 20 februari 2009 is bepaald dat appellante per 1 september 2006 recht heeft op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat appellante per 1 september 2006 een herplaatsingstoeslag is toegekend. Bij besluit van 23 februari 2009 is bepaald dat appellante per 1 januari 2009 recht heeft op een uitkering ingevolge de WW berekend naar een dagloon van € 57,
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Appellante heeft in hoger beroep met betrekking tot de materiële rechtsverhouding tussen partijen gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij heeft betoogd dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling komt. Voorts heeft het Uwv volgens appellante een onjuiste referteperiode genomen ter berekening van het dagloon per 1 januari
  8. Gezien de volgens appellante geldende referteperiode, dient een bedrag van € 33.309,- bruto aan door de kantonrechter vastgestelde ontbindingsvergoeding te worden betrokken bij de berekening van dit dagloon.
  9. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.
  10. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 24 mei 2012 het in het besluit van 20 februari 2009 en het bestreden besluit vervatte standpunt verlaten dat de WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling komt, op de grond dat appellante per 1 september 2006 een herplaatsingstoeslag is toegekend. Het Uwv stelt zich thans op het standpunt dat de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellante met ingang van 1 september 2006 recht had op een loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er aan haar situatie niets zou veranderen zou zij recht op deze uitkering hebben tot en met 29 februari
  11. Per 1 september 2006 komt de uitkering niet tot uitbetaling omdat, door het laattijdig niet ingevolge een melding of aanvraag van appellante maar ingevolge een ambtshalve genomen besluit van 20 februari 2009, meer dan 26 weken zijn verstreken na de vermelde einddatum. Het Uwv heeft hierbij klaarblijkelijk artikel 35 van de WW van toepassing geacht. 4.
  12. Nu het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 20 februari 2009, in hoger beroep door het Uwv van een andere grondslag is voorzien, omdat het nader van oordeel is dat het bestreden besluit in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag berust, heeft de rechtbank het bestreden besluit in zoverre ten onrechte in stand gelaten. In zoverre zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond en in zoverre dient dat besluit te worden vernietigd. 4.
  13. Ter beoordeling of de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde bestreden besluit in stand moeten worden gelaten, dient te worden vastgesteld dat appellante de juistheid van die nadere grondslag van het bestreden besluit niet heeft bestreden. Ook overigens is niet gebleken dat de thans aan het bestreden besluit gegeven motivering ondeugdelijk is dan wel dat dat besluit in zoverre anderszins in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten. 4.
  14. Met betrekking tot het onderdeel van het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 23 februari 2009, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het Uwv de referteperiode ter bepaling van het dagloon per 1 januari 2009 met juistheid heeft gesteld op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart
  15. Bepalend voor de berekening van de referteperiode is volgens artikel 45, eerste lid, van de WW, de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, is ingetreden. Volgens de uitspraak van de Raad van 4 december 2008, LJN BG8432, is daarbij de feitelijke situatie van betrokkene bepalend. Appellante was feitelijk per 22 april 2008 door de werkgever ontheven van de verplichting om werkzaamheden te verrichten. Met ingang van deze laatste datum heeft zij daadwerkelijk geen arbeid meer verricht. 4.
  16. De rechtbank heeft de stelling van appellante, dat de door de kantonrechter ten laste van de werkgever van appellante vastgestelde ontbindingsvergoeding bij de berekening van het dagloon per 1 januari 2009 had moeten worden betrokken, gelet op hetgeen is overwogen in 4.4, terecht verworpen. Gezien het tijdstip van betaling van het desbetreffende bedrag is niet voldaan aan de voor het mogen meerekenen van dat bedrag geldende toepassingsvoorwaarde, neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, dat in de referteperiode dit bedrag aan appellante is betaald. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 6 januari 2012, LJN BV
  17. 4.
  18. De hoger beroepsgrond, dat de rechtbank buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil is getreden, behoeft geen bespreking, reeds omdat die grond betrekking heeft op een gedeelte van de aangevallen uitspraak dat zal worden vernietigd. De hoger beroepsgrond, die betrekking heeft op het door de rechtbank vermelden van een niet nader in haar beschouwing betrokken algemeen verbindend voorschrift, slaagt niet omdat het vermelden van dat voorschrift door de rechtbank een kennelijke misslag is, die geen gevolgen behoort te hebben voor het niet vernietigde gedeelte van die uitspraak, nu appellante door het vermelden van dat voorschrift in de aangevallen uitspraak geenszins in haar processuele belangen is geschaad.
  19. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten bedragen € 472,- aan verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 944,- aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze uitspraak betrekking heeft op het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond is verklaard; -verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 20 februari 2009, gegrond; -vernietigt het bestreden besluit in zoverre; -laat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand; -wijst het verzoek om schadevergoeding af; -veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.416,-; -bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en T. Hoogenboom en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari
  20. (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.