12/479 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011, 11/3210 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 februari 2013 Datum uitspraak: 22 februari 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadour. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 2.
- Appellant heeft het Uwv bij aanvraag van 13 augustus 2010, ingediend via la Caisse Nationale de la Sécurité Sociale (CNSS), verzocht om hem een uitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). 2.
- Bij bestreden besluit van 30 mei 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit op de onder 2.1 vermelde aanvraag ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO omdat hij na zijn ziekmelding op 2 augustus 1993 niet 52 weken ononderbroken arbeidsongeschikt is geweest, terwijl eventueel nadien ingetreden arbeidsongeschiktheid - gelet op de remigratie van appellant - niet in een voor de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving verzekerde periode valt.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat - kort samengevat - appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 2 augustus 1993 ononderbroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat hij na zijn remigratie niet meer in dienstverband heeft gewerkt in Nederland. 4.
- In hoger beroep heeft appellant evenals in beroep aangegeven dat hij Nederland heeft verlaten in verband met geldgebrek en een psychische ziekte en dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is. 4.
- Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. 5.
- De Raad oordeelt als volgt. 5.
- De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant genoegzaam besproken en toereikend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust zijn juist. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit toereikend medisch onderzoek ten grondslag gelegd en uit de stukken die appellant heeft overgelegd kan niet worden afgeleid dat hij de destijds ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WAO, geldende wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt. Het risico dat, door het tijdsverloop tussen de eerste ziektedag en de aanvraagdatum, de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in dit geding van belang niet meer met voldoende zekerheid is vast te stellen, komt voor rekening van appellant. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 5 maart 2004, LJN AO
- Volgens zijn eigen verklaring is appellant op 4 januari 1994 definitief uit Nederland vertrokken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat appellant na afloop van de uitlooptermijn niet meer verzekerd is geweest voor de AAW, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. 5.
- Het hoger beroep faalt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
- (getekend) H.J. Simon (getekend) E. Heemsbergen