← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2139

11/4799 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 11/1186 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 21 februari 2013 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. T.A. Meijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.G. Seedorf. OVERWEGINGEN
  2. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari
  3. 2.
  4. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 2.
  5. Het college heeft de afspraken die met appellante zijn gemaakt tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek bevestigd in een brief van 22 oktober
  6. Hierin is onder meer vermeld dat appellante een projectaanstelling krijgt voor de periode van 1 december 2009 tot 1 december 2010, waarna bij goed functioneren een verlenging van twee jaar mogelijk is. 2.
  7. Appellante is bij besluit van 16 november 2009 met ingang van 1 december 2009 in tijdelijke dienst aangesteld in de functie [naam functie] bij de dienst [naam dienst]. De aanstelling is verleend voor de duur van het project tot 1 december
  8. 2.
  9. Het college heeft appellante bij besluit van 29 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2010 (bestreden besluit), medegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd en op 1 december 2010 van rechtswege eindigt. Daaraan ligt ten grondslag dat is gebleken dat appellante haar functie niet volledig uitvoerde en dat zij op onderdelen niet voldoende functioneerde. Hierover zijn gesprekken gevoerd en werkafspraken gemaakt. Bij het college bestaat geen vertrouwen dat appellante haar functie binnen afzienbare tijd op een voldoende niveau zal vervullen.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  11. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de brief van 22 oktober 2009 blijkt dat geen sprake is van een tijdelijke aanstelling, maar van een tijdelijke aanstelling op proef. Daarnaast is zij van mening dat zij ten onrechte geen reële verbeterkans heeft gekregen. Het college heeft ondanks de toezegging dat appellante tot het 10-maandsgesprek in september/oktober in staat zou worden gesteld om te laten zien dat zij geschikt was voor de functie, haar in augustus 2010 al telefonisch medegedeeld dat haar aanstelling niet verlengd zou worden. Het college had appellante een langere periode moeten gunnen om te laten zien wat zij waard was.
  12. De Raad oordeelt als volgt. 5.
  13. Bij de vraag welk karakter een aanstelling draagt is allereerst hetgeen in het aanstellingsbesluit is vermeld van belang. Slechts indien het aanstellingsbesluit op dit punt geen uitsluitsel geeft, dienen bij de beantwoording van de vraag wat tussen het college en appellante heeft te gelden hun bedoelingen te worden betrokken, zoals die blijken uit de overige gedingstukken. 5.
  14. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat sprake is van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd en niet van een aanstelling bij wijze van proef. Het aanstellingsbesluit vermeldt expliciet dat sprake is van een aanstelling in tijdelijke dienst, waarbij een afgesloten periode van 1 december 2009 tot 1 december 2010 is vermeld. In het aanstellingsbesluit is verder niet vermeld dat een eventuele aanstelling voor onbepaalde tijd afhankelijk is van het functioneren van appellante. Dat in de aanhef van het aanstellingsbesluit per abuis is vermeld “op projectbasis” doet daar niet aan af. De overige met appellante gemaakte afspraken, die zijn vastgelegd in de brief van 22 oktober 2009 en waarnaar in het aanstellingsbesluit wordt verwezen, schetsen overigens geen ander beeld. De daarin opgenomen zinsnede dat bij goed functioneren een verlenging van twee jaar mogelijk is, verwijst in dit verband naar de op grond van de toepasselijke regelgeving maximaal toegestane looptijd van een tijdelijke aanstelling. Bovendien zou, als sprake zou zijn van een aanstelling op proef, een contract voor onbepaalde tijd volgen en niet opnieuw een tijdelijke aanstelling. 5.
  15. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2010, LJN BN3499 en TAR 2011, 79) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht. 5.
  16. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 2 juni 2010 blijkt onder meer dat appellante op een aantal competenties onvoldoende functioneerde en dat zij op een aantal andere competenties nog niet goed te beoordelen was in verband met haar inwerkperiode en relatief veel afwezigheid. Tijdens het gesprek is verder aan de orde gekomen dat het van belang is dat appellante in de komende maanden kwaliteit laat zien. Afgesproken is dat in september/oktober het 10-maandsgesprek zal plaatsvinden en dat aanwezigheid en output in de tussenliggende periode van groot belang zullen zijn voor dat gesprek. Het was dan ook aan appellante om in de periode vanaf juni 2010 te laten zien dat zij de functie volledig en overeenkomstig de functie-eisen kon vervullen. Appellante is hier niet in geslaagd. Tot hetgeen een bestuursorgaan redelijkerwijs van een ambtenaar mag verwachten, behoort immers ook het met een voldoende continuïteit vervullen van de functie. Vast staat dat appellant van 19 juli tot 13 augustus 2010 afwezig is geweest in verband met verlof en dat zij aansluitend tot 28 september 2010 afwezig is geweest in verband met ziekte. Appellante heeft haar werkzaamheden vanaf 28 september 2010 gedeeltelijk en vanaf 18 oktober 2010 volledig hervat. Appellante is dus een groot deel van de voor haar eindbeoordeling relevante periode afwezig geweest en heeft de functie eveneens voor het grootste deel van de duur van de aanstelling niet volledig uitgevoerd. Nu het college er eind augustus al geen vertrouwen meer in had dat appellante binnen afzienbare tijd de functie wel volledig en overeenkomstig de functie-eisen kon vervullen, heeft het college kunnen afzien van het 10-maandsgesprek. 5.
  17. Het betoog van appellante dat zij geen adequate verbeterkans heeft gehad slaagt niet. Het krijgen van een verbeterkans, nadat een ambtenaar tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd, is volgens vaste rechtspraak van de Raad een vereiste voor het verlenen van een ontslag wegens ongeschiktheid. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, is bij het niet-verlengen van een tijdelijke aanstelling sprake van een andere, meer terughoudende toets. Verder is niet gebleken dat appellante geen reële kans heeft gehad om zich waar te maken. Het college was dan ook niet gehouden de aanstelling van appellante te verlengen om haar alsnog hiertoe in de gelegenheid te stellen. 5.
  18. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, tegen de achtergrond van de beperkte eisen die aan de motivering van een besluit tot niet-verlenging worden gesteld, niet is gebleken dat een toereikende grondslag voor het bestreden besluit ontbreekt. 5.
  19. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  20. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari
  21. (getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans (getekend) S.K. Dekker HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.