12/1346 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2012, AWB 11/3548 AOW (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 22 februari 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 31 januari 2011 heeft de Svb het verzoek van appellant van 8 november 2010 om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen. Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat de (verplichte) verzekering van appellant is geëindigd op 1 januari 2000, terwijl de vrijwillige verzekering dient te worden aangevraagd binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering. Appellant is in 2000 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de vrijwillige verzekering, maar bij brief van 24 november 2000 heeft hij schriftelijk aangegeven hiervoor geen belangstelling te hebben. Daarmee is de bevoegdheid tot deelname aan de vrijwillige verzekering vervallen. Er hebben zich geen wijzigingen voorgedaan, waardoor deelname aan de vrijwillige verzekering nog steeds niet mogelijk is.
- Bij besluit van 30 juni 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant en voor verweerder Svb): “Niet in geschil is dat de verplichte verzekering op grond van de AOW van eiser is geëindigd op 1 januari 2000 en dat eiser in aanmerking kwam voor een vrijwillige verzekering. Eiser heeft echter op 13 november 2000 schriftelijk aangegeven dat hij niet wilde deelnemen aan een vrijwillige verzekering. In geschil is of eiser destijds gelet op zijn psychische/psychiatrische stoornis wist wat hij op 13 november 2000 ondertekende en of hem nu kan worden tegengeworpen dat hij destijds geen vrijwillige verzekering heeft afgesloten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij lijdt aan zware psychische stoornissen en aantal medische stukken overgelegd, met een beknopte Nederlandse vertaling. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat eiser gedurende het hele jaar 2000, het jaar waarin hij zich had kunnen aanmelden voor de vrijwillige verzekering, niet in staat was om zijn wil te bepalen. Weliswaar blijkt uit de overgelegde medische stukken dat eiser vanaf 1991 tot 2001 enkele malen is behandeld en/of is opgenomen in verband met zijn psychische dan psychotische stoornis en dat hij daarvoor medicijnen gebruikt. Uit de stukken blijkt echter niet dat er ook behandeling of opname heeft plaatsgevonden in het jaar
- Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat eiser in de periodes tussen de behandelingen of opnames continue niet in staat is geweest zijn wil te bepalen. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat eiser niet in staat was om een derde te vragen om zijn belangen te behartigen.”
- De Raad overweegt als volgt.
- De Raad kan zich in grote lijnen vinden in de overwegingen van de rechtbank. Hetgeen door appellant is aangevoerd in hoger beroep vormt in essentie een herhaling van wat hij al eerder heeft aangevoerd en heeft de Raad niet kunnen brengen tot een ander oordeel dan het oordeel dat is neergelegd in de aangevallen uitspraak. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
- (getekend) H.J. Simon (getekend) E. Heemsbergen