11/3772 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011, 11/365 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college) Datum uitspraak 26 februari
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Appellant is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft bij brief van 1 september 2010 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een waarborgsom, tot een bedrag € 2.070,
- 1.
- Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB). Voor het terugbetalen van leningen of schulden wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. 1.
- Bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2010 ongegrond verklaard, op de grond dat ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand de waarborgsom al was voldaan door de broer van appellant. Daardoor was de aanvraag niet meer bedoeld voor de betaling van de waarborgsom, maar voor de aflossing van de schuld aan de broer. Geen recht op bijstand bestaat voor de kosten van aflossing van schulden.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat de waarborgsom op zeer korte termijn moest worden voldaan en dat hij voor de betaling van de waarborgsom geen andere mogelijkheden had dan de hulp van zijn broer in te roepen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ter zitting heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding ingetrokken, zodat uitsluitend in geding is de afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom. 4.
- Voor de beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden is niet alleen bepalend de strekking van de aanvraag maar ook de feitelijke situatie op het moment van de aanvraag. Vaststaat dat ten tijde van de aanvraag de broer van appellant de waarborgsom inmiddels had voldaan. Daarmee bestaat een schuld van appellant aan zijn broer. 4.
- Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. 4.
- Vaststaat dat appellant bij het ontstaan van de schuld van zijn broer - en ook ten tijde in geding - beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening is de weg staat. De algehele medische situatie van appellant, in het bijzonder de hersenbloeding, hoe erg ook, kan niet als een zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB worden aangemerkt. Aan het college kwam dan ook niet de bevoegdheid toe tot verlening van bijzondere bijstand voor de betreffende schuld. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari
- (getekend) M. Hillen (getekend) A.C. Oomkens HD