11/4245 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2011, 10/4373 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 27 februari
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft op 4 januari 2013 een aantal medische stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft zich op 8 september 2008 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld met rugklachten. Daarnaast heeft appellant klachten van de luchtwegen, spannings- en vermoeidheidsklachten. 1.
- In het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 10 juni 2010 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts maakt in de rapportage van 18 juni 2010 melding van eerdere uitval in 2000 en 2001 in verband met een testis carcinoom met metastasen. Hiervoor heeft appellant kortdurend een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gehad. Deze uitkering is per 2 december 2002 ingetrokken. De verzekeringsarts heeft in juni 2010 vastgesteld dat sprake is van vermoeidheidsklachten, respiratoire klachten en krachtverlies in het rechterbeen. Verder heeft appellant mentale klachten in verband met de zorg voor zijn twee gehandicapte dochters. De verzekeringsarts heeft zowel fysieke als mentale beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 juni
- Bij het arbeidskundig onderzoek is bij functieduiding vastgesteld dat het loonverlies 26,98% bedroeg. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 30 juni 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 6 september 2010 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan. 1.
- In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 9 augustus 2010 de FML van 22 juni 2010 onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat het beloop van de klachten na de behandeling voor de tumor gunstig was en al sinds december 2002 geen aanleiding meer gaf voor volledige arbeidsongeschiktheid. Hij onderschreef de beperkingen voor zware fysieke arbeid in verband met de gevolgen van de behandeling van destijds. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat met betrekking tot de spanningsklachten, het beenlengte verschil, de rugklachten en de benauwdheidklachten van appellant in de FML afdoende beperkingen zijn neergelegd. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2010 het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2010 ongegrond verklaard. 2.
- In beroep heeft appellant een brief overgelegd van huisarts C.P. Gerretsen van 21 april
- De huisarts vermeldde dat appellant -naast de status na de tumor- bekend is met COPD en stress in verband met de zorg voor zijn dochters. De huisarts achtte appellant arbeidsongeschikt. De combinatie van COPD Gold 2-3 status na ernstige ziekte in 2001 en de chronische ernstige stress in verband met de zorg voor twee extreem hulpbehoevende dochters valt naar de mening van de huisarts niet te combineren met werkbelasting. 2.
- De bezwaarverzekeringsarts heeft in de aanvullende rapportage van 30 juni 2010 opgemerkt dat in de FML al verdergaande beperkingen zijn neergelegd dan het protocol COPD adviseert en dat de beperkingen ten aanzien van de werktijden in overeenstemming zijn met het protocol. 2.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij onderschreef - kort gezegd - de medische beoordeling door de verzekeringsartsen en de vaststelling van de medische geschiktheid van de geduide functies door de arbeidsdeskundige.
- In hoger beroep heeft appellant opnieuw gesteld dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en dat hij ernstiger beperkt is. Hij heeft opnieuw naar voren gebracht dat zijn vermogen tot concentreren beperkt is. Verder stelt appellant dat hij in het geheel niet in staat is om gangbare arbeid te verrichten en dat sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Appellant acht geen van de geduide functies voor hem geschikt.
- De Raad ziet in het hoger beroep geen aanknopingspunten om het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De verzekeringsartsen hebben bij appellant geen concentratiestoornissen gevonden. De in hoger beroep door appellant overgelegde stukken, waaronder een brief van behandelend internist-oncoloog prof. dr. J. Verweij van 1 maart 2010, een brief van longarts S.K. Ramlal van 22 juli 2011 en een journaal van de huisarts van 4 maart 2011, bevatten geen informatie waaraan aanknopingspunten kunnen worden ontleend voor het standpunt van appellant dat zijn belastbaarheid op de datum in geding, 6 september 2010, is overschat. Internist-oncoloog Verweij schrijft in de brief van 1 maart 2010 dat appellant sinds 20 november 2001 vrij is van maligniteit en gecureerd verondersteld mag worden. Longarts Ramlal maakt in de brief van 22 juli 2011 melding van een lichte tot matige COPD. Uit het journaal van de huisarts blijkt dat appellant tussen april 2007 en februari 2011 geen bezoek aan de huisarts heeft gebracht. De huisarts heeft geen medische onderbouwing gegeven voor zijn opmerking dat hij appellant niet tot werken in staat acht, zodat hieraan geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend. De Raad merkt op dat de taken met betrekking tot de verzorging van zijn gehandicapte dochters buiten beschouwing dienen te blijven bij de beoordeling of appellant in staat moet worden geacht arbeid te verrichten. De verzekeringsartsen waren bekend met de belaste gezinsituatie van appellant en hebben in de FML rekening gehouden met de belasting op mentaal vlak. De Raad heeft geen aanwijzingen dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht niet voor appellant geschikt zijn.
- Uit overweging 4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari
- (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) Z. Karekezi CVG