11/2391 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 maart 2011, 10/3518 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 maart 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Voor het Uwv is verschenen V.A.R. Kali. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 15 april 2010 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 16 juni 2010 ingetrokken. 1.
- Bij besluit van 21 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 15 april 2010 ongegrond verklaard. 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat er geen reden is te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat er meer of andere beperkingen zijn dan is aangenomen of dat er een urenbeperking opgenomen had moeten worden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant geschikt is voor de geduide functies.
- In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen zijn onderschat. Met zijn medisch objectiveerbare klachten is hij niet in staat de maatmanfunctie te verrichten. Een urenbeperking is geïndiceerd. Appellant heeft een rapport van medisch adviseur verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 3 januari 2013 in geding gebracht. Deze is van mening dat er door de verzekeringsarts van het Uwv ten onrechte geen gericht onderzoek is verricht naar de mogelijke cognitieve stoornissen. Daarnaast wordt niet uitgesloten dat appellant op basis van zijn slaapstoornissen aangewezen is op een urenbeperking. 3.
- De Raad overweegt als volgt. 3.
- De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en dat er geen reden is om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak. Het in hoger beroep overgelegde rapport van Offermans leidt niet tot een ander oordeel. Offermans geeft aan dat er geen gericht onderzoek is verricht naar mogelijke cognitieve stoornissen. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat er wel aandacht is besteed aan deze aspecten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen op dit gebied hebben onderschat. De stelling van Offermans dat niet uitgesloten wordt dat appellant op basis van zijn slaapstoornissen is aangewezen op een urenbeperking leidt evenmin tot een ander oordeel. De verzekeringsartsen hebben uitgebreid gemotiveerd waarom er voor appellant geen urenbeperking opgenomen is. Ook uit de Standaard Verminderde Arbeidsduur volgt niet dat een urenbeperking geïndiceerd is als uit de eigen ervaring van appellant is gebleken dat een volledige werkweek niet haalbaar is. De Raad verwijst naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 januari
- 3.
- Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant terecht geschikt is geacht voor de functies montagemedewerker, productiemedewerker pluimveeslachterij en soldering technician. De belasting van die functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.
- Uit hetgeen is overwogen in 3.2 en 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-hagen, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-hagen (getekend) D. Heeremans EK