11/2057 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 februari 2011, 09/1216 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college) Datum uitspraak 6 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 januari
- Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, geboren [in] 1933, heeft op 19 mei 2009 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor het niet vergoede deel van de tandartskosten die zij heeft moeten maken in verband met schade aan haar gebit na een val over een opstaande tegel in haar tuin. 1.
- Bij besluit van 29 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 september 2009 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade ingevolge artikel 14, aanhef en onder c, van de WWB niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend en dat geen zeer dringende redenen bestaan om op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB toch tot bijstandsverlening aan appellante over te gaan.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Tussen partijen is niet langer in geschil dat artikel 14, aanhef en onder c, van de WWB in de weg staat aan verlening van bijzondere bijstand voor de door appellante geleden schade en dat geen zeer dringende redenen bestaan om op grond van artikel 16 van de WWB toch bijzondere bijstand aan appellante te verlenen. 4.
- Appellante beroept zich op het beleid ‘Bijzondere bijstand tandartskosten volgens Garant Pakket (Collectieve verzekering)’ van het college op grond waarvan een verzekerde in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van tandheelkundige zorg, noodzakelijk geworden tengevolge van een ongeval, tot een maximum van € 950,-- per jaar. 4.
- Gelet op artikel 14, aanhef en onder c, van de WWB dient dit beleid te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 15 september 2009, LJN BJ8372) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. 4.
- Dat is hier het geval. Het onder 4.2 weergegeven beleid over vergoeding van tandheelkundige kosten bij een ongeval is opgenomen in de paragraaf ‘Vergoeding voor verzekerden jonger dan 18 jaar’. Het college heeft bij brief van 20 december 2012 bevestigd dat dit beleid alleen van toepassing is op kinderen tot achttien jaar. Dit betekent dat het college de aanvraag van appellante overeenkomstig zijn beleid heeft afgewezen. 4.
- Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart
- (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) J. de Jong HD