10/6277 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 oktober 2010, 10/6176 en 10/6837 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak 6 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Su¨zen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Su¨zen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontving vanaf 10 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante opgeschort met ingang van 1 mei 2010, op de grond dat appellante niet alle gegevens waarom het college heeft verzocht, waaronder bankafschriften vanaf 1 augustus 2008, heeft overgelegd. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat, indien appellante niet voor 26 mei 2010 haar verzuim herstelt, de bijstand vanaf 1 mei 2010 zal worden ingetrokken. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid het verzuim te herstellen. 1.
- Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken. 1.
- Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2010 en daarbij kopieën van de meeste bankafschriften vanaf 1 augustus 2008 overgelegd. 1.
- Bij besluit van 20 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard, onder wijziging van de grondslag in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet alle bankafschriften vanaf 1 augustus 2008 heeft overgelegd, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Zij heeft aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld aan de hand van de door haar overgelegde bankafschriften en dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen verzoeken om bankafschriften vanaf 1 augustus 2008 over te leggen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. 4.
- De stelling van appellante dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen verzoeken om bankafschriften vanaf 1 augustus 2008 over te leggen, treft geen doel. Het college heeft appellante immers vanaf oktober 2008 diverse malen tevergeefs om bankgegevens verzocht. 4.
- Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet alle gevraagde bankafschriften vanaf 1 augustus 2008 heeft overgelegd. Aangezien het hier gaat om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening en voortzetting van bijstand, heeft appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. 4.
- Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode - hier de periode van 1 mei 2010 tot en met 27 mei 2010 - recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellante heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Ook in hoger beroep heeft zij de ontbrekende bankafschriften niet overgelegd. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart
- (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) J. de Jong HD