12/2855 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2012, 12/742 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 6 maart
- PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. OVERWEGINGEN
- Bij beslissing op bezwaar van 29 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 14 november 2011 gehandhaafd, waarbij aan appellante met ingang van 18 november 2011 verdere uitkering op grond van de Ziektewet is geweigerd.
- Bij beroepschrift van 14 februari 2012, dat op 17 februari 2012 bij de griffie van de rechtbank is ingekomen, heeft appellante tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
- De rechtbank heeft het beroep met verwijzing naar onder meer artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank vormde de door appellante aangevoerde reden voor de overschrijding van de beroepstermijn - hierin gelegen dat zij had gewacht op informatie van de haar behandelend arts - geen grond om deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante desgewenst beroep had kunnen instellen op nader aan te voeren gronden en dat appellante door te wachten op een reactie van haar arts, het risico heeft genomen dat de beroepstermijn is overschreden. Dit heeft de rechtbank voor rekening van appellante gelaten.
- Appellante, die heeft erkend dat het beroepschrift te laat was ingediend, heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij afhankelijk was van de behandelend arts en dat zij niet kon weten dat er een mogelijkheid was om beroep in te stellen op nader aan te voeren gronden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beslissing van appellante om te wachten met het indienen van een beroepschrift totdat zij van haar behandelend arts informatie had ontvangen voor haar risico dient te blijven. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante binnen de beroepstermijn niet voorlopig beroep had kunnen instellen. 5.
- Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) D.E.P.M. Bary IvR