11/7334 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2011, 11/2808 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 6 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft M. Tracey hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari
- Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer. OVERWEGINGEN
- Appellante, die tot 1 januari 2008 werkzaam is geweest als klasse-assistente voor 32 uur per week, heeft zich laatstelijk op 24 mei 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
- Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 22 maart 2011 beëindigd, omdat appellante niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid,
- Bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2011 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie heeft onderbouwd - mede op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts en de van de behandelend huisarts verkregen medische informatie - alsmede gelet op de overige gedingstukken is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante blijkens informatie van de huisarts wel sedert 27 januari 2010 bekend is met psychische klachten in de vorm van spanningshoofdpijn, maar dat zij niet onder behandeling is van een psychiater.
- In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van lichamelijke en psychische klachten verdergaand beperkt is dan door de rechtbank is aangenomen en daardoor niet geschikt is voor haar arbeid.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 6.
- Uit de stukken blijkt dat appellante in verband met het onderhavige ziektegeval op 21 maart 2011 is onderzocht door een verzekeringsarts en dat deze toen heeft vastgesteld dat er geen verandering was opgetreden in de gezondheidstoestand van appellante vergeleken met voorgaande onderzoeken, waarbij zij telkens geschikt was geacht voor haar arbeid als klasse-assistente. Ook in psychisch opzicht heeft de verzekeringsarts geen objectieve afwijkingen gevonden, die een werkhervatting als klasse-assistente in de weg stonden. Daarbij is in aanmerking genomen dat het geen extreem psychisch belastend werk was. 6.
- De betrokken bezwaarverzekeringsarts heeft zich - na kennisneming van informatie van de huisarts van 25 mei 2011 - verenigd met de conclusie van de verzekeringsarts dat de buikklachten van appellante onveranderd waren. De psychische klachten van appellante waren volgens de bezwaarverzekeringsarts wel reëel, maar niet zodanig ernstig - er was immers geen behandeling door een psychiater en de medicatie was gestopt - dat op de datum in geding sprake was van ongeschiktheid tot werken. 6.
- De namens appellante bij faxbericht van 10 januari 2013 ingebrachte brieven van de Riagg Rijnmond vormen geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Blijkens een brief van 30 januari 2012 van deze instelling bestond destijds nog onduidelijkheid over de diagnose. Dat in een brief van 10 januari 2013 gesproken wordt van een gegeneraliseerde angststoornis rechtvaardigt niet de conclusie dat deze stoornis op de datum in geding al aanwezig was in de mate waarin de Riagg deze in die brief duidt. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting, na overleg met een bezwaarverzekeringsarts, naar voren heeft gebracht, heeft appellante verder met de in deze laatste brief vermelde persoonlijkheidsstoornis in het verleden steeds kunnen werken. Hetgeen appellante onder verwijzing naar voormelde brieven heeft aangevoerd, vormt dan ook geen reden om het alleszins voldoende onderbouwde standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts niet te onderschrijven. 6.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling en een veroordeling tot vergoeding van schade. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) D.E.P.M. Bary JvC