12/2985 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [A. te B.] (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak 7 maart
- PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 mei 2012, kenmerk BZ01466740 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari
- Daar is appellant in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant is geboren in 1943 in het toenmalig Nederlands-Indië. In juli 2009 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Op die aanvraag is bij besluit van 30 oktober 2009 afwijzend beslist op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door onder de Wubo vallend oorlogsgeweld. Zo werd geen bevestiging verkregen dat appellant tijdens de Japanse bezetting in een kamp zou zijn geboren. Vervolgens oordeelde verweerder dat de bedreigingen door een groep Javanen bij het huis van zijn tante, de bedreiging door een Indonesiër met een klewang bij het uit de kerk lopen en de dreigende situatie waarbij met speren bewapende Indonesiërs het huis van de tante [D.] probeerden binnen te komen, niet onder de werking van de Wubo vallen aangezien niet is gebleken dat er sprake was van daadwerkelijk tegen appellant gericht geweld. Verder was niet gebleken van een directe betrokkenheid bij een vuurgevecht in Semarang en is de confrontatie met de mishandeling van een dief door TNI’ers niet aangemerkt als onder de Wubo vallend oorlogsgeweld aangezien deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht van 27 december
- Verweerder heeft zijn oordeel gebaseerd op gegevens van het Nederlandse Rode Kruis, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, een verklaring van de zuster van appellant, [I.], en gegevens van een tante van appellant, [S.]. Tegen het besluit van 30 oktober 2009 is geen bezwaar gemaakt. 1.
- In juni 2011 heeft appellant verzocht het onder 1.1 genoemde besluit te herzien. Daarbij heeft hij gewezen op het besluit van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (Indonesië) waarbij hij is erkend als oorlogsslachtoffer in de zin van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) en in aanmerking is gebracht voor een invaliditeitsuitkering. Ter ondersteuning van het verzoek heeft appellant een verklaring overgelegd die door zijn zuster [I.] ten behoeve van de AOR-aanvraag is ingediend. Verweerder heeft het verzoek om herziening afgewezen bij besluit van 2 april
- Dit besluit is na gemaakt bewaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat - samengevat - appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden kunnen geven het eerdere besluit te herzien.
- Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. 2.
- Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het besluit van 30 oktober 2009 niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. 2.
- Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. De overgelegde verklaring van zijn zuster [I.] is wel uitgebreider dan die welke door haar bij de eerdere aanvraag is ingediend, maar bevat feitelijk niets nieuws ten aanzien van de onder 1.1 genoemde en door verweerder beoordeelde gebeurtenissen. Appellant heeft benadrukt dat de verklaring van [I.] ook nieuwe gebeurtenissen noemt, namelijk inkwartiering van Japanse soldaten in de ouderlijke woning en het meemaken van bombardementen waarbij appellant onder een matras heeft moeten schuilen. Deze gebeurtenissen zijn aan de eerdere aanvraag inderdaad niet ten grondslag gelegd, maar de beschikbare gegevens bieden geen houvast voor de conclusie dat appellant bij die gebeurtenissen direct betrokken is geweest zoals de Wubo vereist. [I.] heeft ter zake niet op grond van eigen waarneming kunnen verklaren omdat zij na deze gebeurtenissen is geboren. Ook appellant heeft althans de aanvang van de gestelde inkwartiering (omschreven als “een soort buiten Japanse kampen internering”) niet lijfelijk ondervonden omdat ook hij toen nog niet was geboren. De ervaringen van zijn ouders zijn in het kader van de Wubo van geen belang. Van een persoonlijke betrokkenheid bij bombardementen is niet gebleken en deze is door appellant ook niet met zoveel woorden gesteld. 2.
- Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.1 omschreven terughoudende toets doorstaan. De erkenning in het kader van de AOR kan dat niet anders maken, nu ter zake andere maatstaven gelden dan ingevolge de Wubo. 2.
- Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
- De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart
- (getekend) B.J. van de Griend (getekend) E. Heemsbergen HD