← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4653

10/7051 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 december 2010, 10/580 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 15 maart

  1. PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 13 juli 2012 een tussenuitspraak, LJN BX1590, gedaan. OVERWEGINGEN 1.
  2. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming verwijst hij naar zijn tussenuitspraak. Hieraan voegt hij het volgende toe. 1.
  3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie ontvangen van de huisarts, diverse artsen verbonden aan het Hartcentrum Limburg, de afdeling cardiochirurgie en de afdeling kritische diensten van het Ziekenhuis Oost-Limburg in Genk, België, een stafarts cardiorevalidatie van Adelante in Hoensbroek en artsen van Atrium Medisch Centrum in Heerlen. In zijn rapportage van 28 september 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts deze informatie geanalyseerd. Hij heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat de uitkering op de datum hier in geding 2 oktober 2009 - een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% - te wijzigen. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gezien het standpunt in de bezwaarzaak genoemd onder 1.4 in de tussenuitspraak bij te stellen in die zin dat aan appellant per 1 november 2011 een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) dient te worden toegekend. Het Uwv heeft de bezwaarverzekeringsarts hierin gevolgd en appellant bij besluit van 17 oktober 2012 per 1 november 2011 een IVA-uitkering toegekend. 1.
  4. Appellant heeft bij brief van 20 november 2012 gereageerd op de analyse van de bezwaarverzekeringsarts. Naar de mening van appellant had hem direct een IVA-uitkering moeten worden toegekend. 1.
  5. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 8 januari 2013 een reactie gegeven op de brief van appellant van 20 november
  6. Hij heeft het in zijn rapportage van 28 september 2012 neergelegde standpunt gehandhaafd. Hij heeft geen aanleiding gezien de ingangsdatum van de IVA-uitkering te bepalen op een eerder moment dan 1 november
  7. 2.
  8. De Raad stelt vast dat het streven van appellant in deze zaak, zoals blijkt uit zijn brief van 20 november 2012, is gericht op het verkrijgen van een IVA-uitkering met ingang van de datum in geding, 2 oktober
  9. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in zijn analyse dat de door hem verzamelde stukken uit de behandelend sector daar geen aanknopingspunten voor bieden. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de stukken uit de behandelend sector niet dat op de datum in geding al sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als vereist voor IVA-uitkering. 2.
  10. Nu de medische grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, vernietigen. Tevens zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand worden gelaten.
  11. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op in totaal € 2.124,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.124,-, te betalen aan de griffier van de Raad; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 152,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.I. van der Kris en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart
  12. (getekend) J.W. Schuttel (getekend) K.E. Haan JvC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.