12/1208 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 januari 2010, 08/5390 Partijen: [A. te B.] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 15 maart
- PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad. Het Uwv heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft nadere stukken ingebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- In de uitspraak waarvan herziening is verzocht, is de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2008, 07/4390, bevestigd. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv de bezwaren van verzoekster gericht tegen het besluit van 4 juni 2007, waarin is bepaald dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 3 oktober 2006, ongegrond verklaard.
- Verzoekster heeft uiteengezet dat uit het rapport van psychiater J. Rübsaam van 10 juni 2010, dat is opgesteld op verzoek van de rechtbank Amsterdam in het kader van een andere (beroeps)procedure tussen verzoekster en het Uwv, blijkt dat de psychische klachten en beperkingen die met ingang van 8 november 2007 hebben geleid tot de toekenning van een IVA-uitkering ook bestonden per einde wachttijd (19 september 2006).
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.
- Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.
- Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht, zoals weergegeven onder 2, leidt niet tot een geslaagd beroep op artikel 8:88 van de Awb. 3.
- In de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan thans herziening is verzocht, heeft verzoekster reeds in de bezwaarfase te kennen gegeven dat de bij haar bestaande psychische klachten op onjuiste wijze zijn beoordeeld. Deze stellingen heeft zij met verwijzing naar informatie uit de behandelend sector in (hoger) beroep - zonder een voor haar beoogd resultaat - verdedigd. 3.
- Dat verzoekster voor het bestaan van de psychische klachten thans (ook) steun heeft gevonden in het rapport van Rübsaam van 10 juni 2010 kan niet leiden tot een geslaagd beroep op artikel 8:88 van de Awb, omdat hier sprake is van een andere kwalificatie van reeds bekende medische gegevens hetgeen volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2012, LJN BY0041, niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Er moet dan ook worden vastgesteld dat verzoekster met het onderhavige verzoek heeft beoogd op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren. 3.
- Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart
- (getekend) M.C. Bruning (getekend) K.E. Haan GdJ