← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4716

12/1515 ANW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2012, 11/2466 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak 1 maart

  1. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober
  2. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de Svb de gelegenheid te geven een nader standpunt in te nemen. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 januari
  3. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens. OVERWEGINGEN 1.
  4. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  5. De echtgenoot van appellante, [naam echtgenoot], heeft gewoond en gewerkt in Nederland. Hij is op 1 juli 1988 65 jaar geworden en ontving vanaf dat moment een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van 76% van het maximale ouderdomspensioen voor een gehuwde. Op 16 november 1990 is [naam echtgenoot] met zijn eerste echtgenote geremigreerd naar Marokko. Nadat zijn eerste echtgenote was overleden, is [naam echtgenoot] op 22 augustus 1997 met appellante gehuwd. Op 21 mei 2009 is [naam echtgenoot] overleden. Aan appellante is vervolgens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) geweigerd omdat [naam echtgenoot] op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Bij brief van 20 januari 2010 heeft appellante verzocht om (postuum) de premie voor de vrijwillige ANW-verzekering voor haar overleden echtgenoot te voldoen. 1.
  6. Bij besluit van 30 september 2010 heeft de Svb het verzoek van appellante om namens haar overleden echtgenoot deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de ANW afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 27 april 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 30 september 2010 ongegrond verklaard. De Svb heeft hiertoe overwogen dat de verplichte verzekering van [naam echtgenoot] was geëindigd op 17 november 1990 omdat zijn AOW-pensioen bij vertrek uit Nederland minder was dan 35% van het wettelijk minimumloon. [naam echtgenoot] had destijds niet de mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren omdat hij de leeftijd van 65 jaar al had bereikt. Omdat [naam echtgenoot] niet bevoegd was deel te nemen aan de vrijwillige AOW/ANW-verzekering is appellante hiertoe ook niet namens haar echtgenoot postuum bevoegd.
  7. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Naar aanleiding van de zitting van 18 oktober 2012 heeft de Svb bij brief van 23 november 2012, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 mei 1998 (RSV 1998, 274 en USZ 1998/220) en het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2000 (LJN AA6315), een nader standpunt ingenomen. Anders dan in het bestreden besluit is vermeld, is [naam echtgenoot] vanaf zijn vertrek uit Nederland op 17 november 1990 tot 1 januari 2000 wel verplicht verzekerd gebleven, omdat zijn AOW-pensioen samengeteld met het pensioen van zijn eerste echtgenote in die periode meer bedroeg dan 35% van het wettelijk minimumloon. De Svb is echter verder van oordeel dat niet binnen een jaar na het einde van de verplichte verzekering door [naam echtgenoot] een aanvraag is ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering. Er zijn voorts geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de aanmeldingstermijn verschoonbaar maken. Daarom wordt [naam echtgenoot] niet postuum toegelaten tot de vrijwillige verzekering en is er geen aanleiding tot het intrekken van het bestreden besluit.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Ingevolge artikel 63b van de ANW is de gewezen verzekerde die een vrijwillige verzekering wil afsluiten, verplicht daartoe bij de Svb een aanvraag in te dienen uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. Deze termijn is in het onderhavige geval (ruimschoots) overschreden. 4.
  11. De vraag of sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat deze overschrijding appellante niet tegengeworpen mag worden, wordt ontkennend beantwoord. Sinds aan [naam echtgenoot] een AOW-pensioen is toegekend, kon hij op pensioenoverzichten en jaaroverzichten zien dat er geen premies voor de volksverzekeringen werden ingehouden. Dat dit, achteraf bezien, onjuist is maakt dit niet anders. Daarnaast is in de periodieke informatie die de Svb aan haar klanten zendt, uitgebreid aandacht besteed aan de wijziging van de Nederlandse regelgeving waaruit voortvloeide dat de verplichte verzekering voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden beëindigd werd met ingang van 1 januari 2000 en dat deze personen zich vrijwillig konden verzekeren. Niet blijkt dat [naam echtgenoot] zich op enig moment tot de Svb heeft gewend met een vraag over zijn verzekeringspositie, dan wel de wens te kennen heeft gegeven een vrijwillige verzekering af te sluiten. Indien [naam echtgenoot] de verzekering voor de ANW niet had willen prijsgeven, had het – te meer nu hij in het buitenland woonde – op zijn weg gelegen contact te zoeken met de Svb. 4.
  12. Zoals uit 4.1 en 4.2 volgt heeft de Svb in het bestreden besluit terecht besloten [naam echtgenoot] postuum, dan wel appellante namens [naam echtgenoot], niet toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Uit 3 vloeit evenwel voort dat de beoordeling die de Svb tot dit oordeel heeft geleid, op een ondeugdelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust op een onjuiste motivering en moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, zij het dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Nu de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan.
  13. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -vernietigt de aangevallen uitspraak; -verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 april 2011; -Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; -Bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €156,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart
  14. (getekend) T.L. de Vries (getekend) D.E.P.M. Bary IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.