← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4720

12/3568 BESLU, 12/3569 BESLU Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [A. te B.] (betrokkene) de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 8 maart

  1. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2011, 07/487, in het geding tussen betrokkene en het Uwv. Bij uitspraak van 22 juni 2012, 11/1979 WIA, LJN BW9906, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad tevens de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) aangemerkt als partij in die procedure. Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens het Uwv heeft mr. P.J. van Ogtrop een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. B.M. Voogt een reactie op beide uiteenzettingen gegeven. Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 25 januari
  2. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.
  3. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2011 betrof een procedure tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking had op betrokkenes aanspraken op een WIA-uitkering en op de hoogte van het dagloon waarnaar de WIA-uitkering is berekend. Die procedure had op het moment dat de rechtbank uitspraak deed vier jaar en ruim acht maanden geduurd. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene om schadevergoeding toegewezen en het Uwv veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,-, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de behandeling van het beroep door de rechtbank door een samenloop van omstandigheden enkele malen minder voortvarend heeft plaatsgevonden dan mogelijk en wenselijk was geweest. De rechtbank heeft echter onvoldoende aanleiding gezien om een deel van de periode waarmee de redelijke termijn is overschreden niet voor rekening van het Uwv te laten komen. 1.
  4. In hoger beroep heeft het Uwv zich verzet tegen de veroordeling tot betaling van € 3.000,- aan schadevergoeding en te kennen gegeven bereid te zijn tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan schadevergoeding. 1.
  5. De Raad heeft in zijn uitspraak van 22 juni 2012 vastgesteld dat niet ter discussie staat dat op het moment dat de rechtbank uitspraak deed de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM was overschreden en dat de rechtbank de hoogte van de aan betrokkene toekomende schadevergoeding terecht heeft vastgesteld op een bedrag van € 3.000,-. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet volledig voor zijn rekening dient te komen. De in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2011 opgenomen veroordeling van het Uwv tot betaling van een schadevergoeding van € 3.000,- is vernietigd en het onderzoek is heropend om te beslissen op het verzoek om schadevergoeding van betrokkene en daarbij is de Staat als partij aangemerkt. 1.
  6. Uit de schriftelijke uiteenzettingen van de Staat en het Uwv blijkt dat de Staat bereid is een bedrag van € 2.000,- te vergoeden als compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn en dat het Uwv nog steeds bereid is een bedrag van € 1.000,- te vergoeden. 1.
  7. Betrokkene heeft ingestemd met de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding, maar stelt zich op het standpunt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn in beroep voor rekening van het Uwv dient te komen, omdat de rechtbank zich een oordeel heeft moeten vormen over drie opeenvolgende verschillende beslissingen op bezwaar.
  8. De Raad komt tot de volgende beslissing. 2.
  9. Gelet op de inhoud van 1.3 tot en met 1.5 staat niet meer ter discussie dat de redelijke termijn met twee jaar en ruim acht maanden is overschreden en dat aan betrokkene een bedrag van € 3.000,- toekomt aan schadevergoeding. De vraag ligt slechts voor op welke wijze dit bedrag moet worden verdeeld tussen het Uwv en de Staat. Het standpunt van betrokkene dat het Uwv het volledige bedrag van € 3.000,- zou moeten vergoeden, verdraagt zich niet met vaste rechtspraak van de Raad. Overschrijding van de redelijke termijn in de fase van beroep komt volgens die rechtspraak in beginsel voor rekening van de rechtbank. Een uitzondering hierop zijn perioden van beraad van het bestuursorgaan. Het Uwv heeft berekend dat er tijdens de rechtbankprocedure verschillende perioden van beraad door het Uwv zijn aan te wijzen, die bij elkaar opgeteld ruim 10 maanden beslaan. 2.
  10. Het Uwv heeft daaruit de conclusie getrokken dat zij € 1.000,- aan schadevergoeding dient te vergoeden. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de rechter te wijten vertraging van één jaar en acht maanden resulteert in een door de Staat te betalen schadevergoeding van € 2.000,-. De Raad ziet geen aanleiding om tot een andere toewijzing te komen.
  11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan betrokkene van schade tot een bedrag van € 1.000,-; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart
  12. (getekend) M.C. Bruning (getekend) K.E. Haan JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.