12/1250 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2012, 11/4824 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak 19 maart
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Aan appellant is bij beschikking van 18 december 2002 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor de periode van 14 augustus 1998 tot 14 augustus
- Hij ontving van het college in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bijstand op grond van de Algemene bijstandswet van 28 oktober 2002 tot en met 12 augustus 2003 naar de norm voor een alleenstaande ouder. De bijstand is bij besluit van 8 oktober 2003 beëindigd wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 9 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 15 maart 2004 is aan appellant met ingang van 5 februari 2004 weer aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Tegen de besluiten van 9 juni 2005 en 15 maart 2004 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft appellant de Nederlandse nationaliteit verkregen. Vervolgens heeft appellant op 11 augustus 2010, 27 oktober 2010 en bij brief van 9 december 2010 verzoeken ingediend om terug te komen van het besluit van 8 oktober
- Bij besluit van 2 maart 2011 zijn deze verzoeken afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die zouden rechtvaardigen dat alsnog vanaf 13 augustus 2003 tot 5 februari 2004 bijstand wordt verstrekt. Bij besluit van 1 juni 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2011 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij een op 21 oktober 2003 gedateerde beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (beschikking) overgelegd, waaruit blijkt dat de geldigheidsduur van de eerder aan hem verleende verblijfsvergunning wordt verlengd van 14 augustus 2003 tot 21 juli
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Vaststaat dat tegen het besluit van 9 juni 2005 geen beroep is ingesteld, zodat het besluit van 8 oktober 2003 tot intrekking van de bijstand met ingang van 13 augustus 2003 in rechte onaantastbaar is geworden. Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het college van dit ambtshalve genomen besluit terugkomt. 4.
- Overeenkomstig wat voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. 4.
- Appellant, zo begrijpt de Raad, heeft als nieuwe feiten aangedragen dat hij sinds begin 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit en voorts dat de geldigheidsduur van de hem eerder verleende verblijfsvergunning regulier is verlengd bij beschikking van 21 oktober
- 4.
- Deze feiten kunnen op zichzelf beschouwd wel als nieuwe gegevens worden aangemerkt maar niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de onder 4.2 bedoelde zin. Immers het enkele feit dat appellant thans blijkbaar, anders dan ten tijde van het besluit waarvan hij het college heeft verzocht terug te komen, de Nederlandse nationaliteit bezit rechtvaardigt niet dat hem alsnog bijstand toekomt over de in geding zijnde periode toen hij die status nog niet had. Overigens is hem ook in de periode voorafgaand aan 20 januari 2010, in zijn hoedanigheid van vreemdeling die met een Nederlander wordt gelijkgesteld, reeds bijstand ingevolge de WWB verleend, zodat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit in dit opzicht geen nieuw licht op de zaak werpt. De eerst thans in het geding gebrachte beschikking van 21 oktober 2003 behoefde voor het college evenmin aanleiding te vormen om van het besluit van 8 oktober 2003 terug te komen. Appellant had deze beschikking immers reeds tijdens de bezwaarprocedure, die is gevoerd naar aanleiding van het besluit van 8 oktober 2003, aan het college kunnen overleggen dan wel daarop een beroep kunnen doen, alsook bij de latere aanvraag om bijstand die heeft geleid tot toekenning van aanvullende bijstand per 5 februari
- Een en ander brengt mee dat ook naar het oordeel van de Raad geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. 4.
- Gelet op het voorgaande was het college bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om herziening af te wijzen. Niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 4.
- Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) R. Scheffer QH