11/6720 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2011, 11/652 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak 19 maart
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft op 15 maart 2010, aangevuld bij brief van 11 augustus 2010, onder meer en voor zover hier van belang, verzocht hem bijstand toe te kennen over de periode van 1 juni 1984 tot en met 31 december
- Het college heeft dit verzoek bij besluit van 29 november 2010 afgewezen op de grond dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om aan appellant bijzondere (lees: algemene) bijstand over een afgesloten periode in het verre verleden toe te kennen. 1.
- Bij besluit van 28 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hij sinds 20 januari 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat hij nu alsnog aanspraak kan maken op algemene bijstand over de periode van 1 juni 1984 tot en met 31 december
- Die bijstand zou hem destijds ten onrechte zijn onthouden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 4.
- Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het enkele feit dat appellant vanaf 20 januari 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit geen bijzondere omstandigheid oplevert om appellant in afwijking van de onder 4.1 vermelde hoofdregel alsnog voor bijstand in aanmerking te brengen over de in geding zijnde periode in
- Appellant heeft verder op geen enkele wijze met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij voorafgaand aan 1 juni 1984 bijstand van het college heeft ontvangen en/of dat de bijstand per 1 juni 1984 is geblokkeerd dan wel ingetrokken. Van het terugkomen van een eerder genomen besluit dat op die periode betrekking heeft, kan reeds daarom, mede gelet op het ruime tijdsverloop, geen sprake zijn. Uit de door appellant overgelegde stukken valt overigens af te leiden dat hij op 16 augustus 1984 op last van de rechter Nederland is uitgezet, zodat - ook los van het voorgaande - appellant in ieder geval vanaf die datum geen recht (meer) had op bijstand. Gelet op een en ander treffen de aangevoerde beroepsgronden geen doel. 4.
- Wat in 4.2 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) R. Scheffer QH