12/1928 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2012, 11/5472 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college) Datum uitspraak 19 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. van Hout, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 februari
- Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante heeft op 4 mei 2011 bijzondere bijstand aangevraagd voor sportkosten ter hoogte van € 41,-- per maand en voor legeskosten voor uittreksels van de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens tot een bedrag van € 29,
- 1.
- Bij besluit van 16 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 september 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvragen afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat deze kosten, voor zover al noodzakelijk, tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die uit het reguliere inkomen dienen te worden voldaan.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat er omstandigheden zijn op grond waarvan bijzondere bijstand voor de sportkosten dient te worden toegekend. Appellante heeft gewezen op ingrijpende gebeurtenissen in haar leven en het ernstig sociaal isolement waarin zij verkeert. Het lidmaatschap van een sportclub draagt bij aan het op de rit krijgen van haar leven. Ten slotte is appellante van mening dat het niet toekennen van de legeskosten in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand bepaalt, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Sportkosten 4.
- Naar vaste rechtspraak (CRvB 27 mei 2008, LJN BD3724) worden kosten verband houdend met een lidmaatschap van een sport- of fitnessclub, indien deze kosten noodzakelijk zijn, gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen deze in beginsel te worden voldaan uit een inkomen of uitkering op bijstandsniveau. Appellante heeft de noodzaak van de onderhavige kosten niet aannemelijk gemaakt, zodat geen sprake is van kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Volgens gemeentelijk buitenwettelijke begunstigend beleid wordt categoriale bijzondere bijstand voor sportkosten verstrekt aan 4- tot 17-jarigen. Volwassenen kunnen alleen op medische indicatie in aanmerking komen voor vergoeding van deze kosten. Appellante heeft aan de door haar aangevoerde bijzondere omstandigheden geen objectieve medische gegevens ten grondslag gelegd. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor sportkosten dan ook in overeenstemming met het beleid afgewezen. Legeskosten 4.
- De aanvraag om bijstand voor de legeskosten van € 29,55 is door het college eveneens terecht afgewezen. Ook deze incidentele kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit een inkomen of uitkering op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Het beroep van appellante op artikel 8 van het EVRM faalt. Appellante heeft op geen enkele wijze onderbouwd en/of aannemelijk gemaakt dat het onthouden van bijzondere bijstand voor deze relatief geringe kosten tot een rechtens onaanvaardbare inbreuk op haar privéleven of familie- en gezinsleven heeft geleid. 4.
- Het voorgaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) R. Scheffer HD