11/6675 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2011, 11/3686 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college) Datum uitspraak 19 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Julius, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 5 februari
- Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante heeft van 30 juni 2005 tot 1 december 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. 1.
- Appellante heeft van 17 december 2009 tot 10 juni 2010 bij [werkgever 1] gewerkt totdat zij is ontslagen. Haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid. Appellante is daarna werkzaam geweest bij [werkgever 2] en heeft na twee weken vanwege gebrek aan werk ontslag genomen. Zij is vervolgens vanaf 12 augustus 2010 in dienst getreden bij een uitzendbureau. Na ziekmelding heeft appellante vanaf 2 maart 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. 1.
- Appellante heeft zich op 1 maart 2011 gemeld om (aanvullende) bijstand bij de Werkbedrijfvestiging van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen met als gewenste ingangsdatum 1 december
- Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 1 maart 2011 bijstand toegekend. Over de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 is de aanvraag afgewezen omdat geen bijstand kan worden verleend over een periode gelegen voor de datum van melding. 1.
- Bij besluit van 23 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de in het besluit van 4 april 2011 genoemde ingangsdatum van 1 maart 2011 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet in staat was om in de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 een aanvraag te doen omdat zij verstandelijk beperkt is en daardoor gecompliceerde situaties niet goed kan overzien. Ter ondersteuning is gewezen op een brief van 3 mei 2011 van haar begeleider, J. Stol van de Stichting MEE Amstel en Zaan. Stol heeft in deze brief uiteengezet waarom appellante niet in staat was om eerder bijstand aan te vragen en dat de verlate aanvraag haar niet is aan te rekenen.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 4.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval niet is gebleken van zodanige omstandigheden dat het college met terugwerkende kracht bijstand moest verlenen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij er bewust van heeft afgezien eerder dan op 1 maart 2011 een aanvraag om bijstand in te dienen, omdat haar prioriteit lag bij het vinden van werk. Eerst toen de situatie te complex werd (teveel schulden, te weinig inkomsten en fysieke beperkingen), heeft appellante een aanvraag ingediend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege verstandelijke beperkingen en het niet goed overzien van gecompliceerde situaties, steeds buiten staat is geweest zelf of met behulp van derden eerder een aanvraag in te dienen. In dit verband is tevens van belang dat Stol appellante in de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 heeft begeleid bij het bereiken van een aantal doelen, waaronder het verkrijgen van een stabiel inkomen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het college de ingangsdatum van de bijstand terecht met toepassing van de hoofdregel op 1 maart 2011 heeft gesteld. 4.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) R. Scheffer HD