← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4840

12/4719 WMO-V, 12/4720 WMO-V, 12/4721 WMO-V, 12/4722 WMO-V, 12/4723 WMO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2012, 09/2176 + 09/4498 + 10/841 + 10/921 + 11/1498 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Duiven (college) Datum uitspraak 20 maart

  1. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 5 december 2012 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 5 december 2012 heeft appellante verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 5 maart
  2. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 5 december 2012 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 1 oktober 2012 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De laatste dag waarop tijdig de gronden van het hoger beroep konden worden ingediend, is 29 oktober
  3. Bij brief van 2 november 2012 heeft appellante om verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden verzocht. Omdat dit verzoek na afloop van de in de brief van 1 oktober 2012 gestelde termijn is ingediend, heeft de Raad het afgewezen. Appellante heeft de gronden op 9 november 2012, en daarmee niet tijdig, per fax ingediend. In verzet heeft appellante aangevoerd dat zij wegens ziekte niet in staat is geweest de gronden van het hoger beroep eerder in te dienen. Bovendien heeft zij in verband met een netwerkstoring bij KPN veertien dagen geen telefoon- en faxverbinding gehad. Nadat de storing op 2 november 2012 was opgelost, heeft appellante telefonisch contact gezocht met de Raad en heeft zij om verlenging van de termijn verzocht. De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele periode buiten staat is geweest de gronden van het hoger beroep in te dienen. De Raad weegt daarbij mee dat appellante en haar echtgenoot, zoals ter zitting is verklaard, wel de beschikking hadden over een mobiele telefoon. Appellante was daarmee - wel - in de gelegenheid om de Raad eerder, en in ieder geval voor afloop van de gestelde termijn, te informeren over de problemen die zij ondervond. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval zal het betaalde griffierecht (€ 115,-) door de griffier van de Raad aan appellante worden terugbetaald. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart
  4. (getekend) T.G.M. Simons (getekend) D.W.M. Kaldenhoven GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.