12/893 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 2012, 11/5547 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 20 maart
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, laatstelijk werkzaam als grondwerker voor 40 uur in de week, heeft zich per 13 januari 2011 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met linkerenkelklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Verzekeringsarts R.P. van Straaten heeft appellant vervolgens op het spreekuur van 24 mei 2011 onderzocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 25 mei 2011 geschikt kan worden geacht voor zijn werk als grondwerker. Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld met ingang van 25 mei 2011 beëindigd. 1.
- Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2011 bij besluit van 1 juli 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij bij een overval door vier fragmenten van kogels is geraakt in zijn rechterbovenbeen en zijn linkerenkel. Het fragment van de kogel in zijn linkerenkel is nog niet verwijderd en geeft veel problemen. Zijn zware werk als grondwerker kan hij daarom niet meer verrichten. Daarbij is volgens appellant van belang dat de verzekeringsartsen onvoldoende hebben onderzocht wat de werkzaamheden in deze functie precies inhouden en of de enkelklachten met deze werkzaamheden verenigbaar zijn. 4.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
- Er bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden. Daarbij wordt van belang geacht dat verzekeringsarts Van Straaten appellant op 24 mei 2011 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van het kogelfragment in diens linkerenkel. Bij het onderzoek trof de verzekeringsarts geen evidente afwijkingen, behoudens een rustig litteken op de linkerenkel. De beperkingen die hierbij kunnen worden vastgesteld zijn dusdanig verminderd dat er geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestaat om het werk als grondwerker te verrichten. Zoals blijkt uit het rapport van 24 mei 2011 heeft de verzekeringsarts daarbij de belasting in de functie van grondwerker weergegeven als zwaar fysiek werk met een belasting op lopen, staan, zwaar tilwerk, veel graven, lopen en tillen. 4.
- Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts De Brouwer dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur van 30 juni 2011 onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit het rapport van 30 juni 2011, de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven en te kennen gegeven dat hij bij eigen onderzoek ook niet tot andere bevindingen is gekomen. Het nog aanwezige kogelfragment is klein en beïnvloedt geen vitale structuren. Ook de functie van de achillespees en van het enkelgewricht worden er niet door aangetast. Medisch gezien is het volgens de bezwaarverzekeringsarts niet goed voorstelbaar dat het fragment nog (veel) pijnklachten geeft. Nu appellant normaal kan lopen en staan en voor andere belastingen ook niet beperkt is, acht de bezwaarverzekeringsarts hem daarom geschikt voor zijn eigen werk als grondwerker. 4.
- De in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat het standpunt van appellant dat hij door de enkelklachten ongeschikt zou zijn om zijn werk als grondwerker te verrichten niet met enige medische informatie is onderbouwd. Dat de verzekeringsartsen onvoldoende de belasting in de functie van grondwerker hebben onderzocht, kan ten slotte niet worden gevolgd. Zoals onder 4.3 is weergegeven, wijkt de beschrijving die de verzekeringsarts van de belasting in deze werkzaamheden heeft gegeven, in essentie niet af van de door appellant in hoger beroep gegeven beschrijving. De verzekeringsarts beschikte daarmee over een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden in deze functie om de geschiktheid van appellant hiervoor te kunnen beoordelen. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 25 mei 2011 heeft beëindigd.
- Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) D. Heeremans JvC