11/6702 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 november 2011, 11/1779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 19 maart 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 5 februari
- Partijen, waarvan het college met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontvangt van het college sinds 27 februari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 9 september 2010 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor een bed, matras en kledingkast voor haar jongste kind dat sinds 11 augustus 2010 bij haar inwoont. Bij besluit van 14 oktober 2010 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat zij deze kosten kan voldoen uit de eerder toegekende langdurigheidstoeslag. 1.
- Bij besluit van 14 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2010 gegrond verklaard en aan appellante alsnog bijzondere bijstand toegekend voor de aanschaf van de onder 1.1 genoemde goederen tot een bedrag van € 265,-- in de vorm van een lening. Dit bedrag is vastgesteld overeenkomstig de door het college gehanteerde prijslijst voor inboedelgoederen (normenlijst). Als voor 1 juli 2012 geen besluit over de door appellante aangevraagde kinderbijslag wordt genomen zal de lening worden omgezet in een gift.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het college terecht de normenlijst van 2010 heeft gehanteerd en overeenkomstig de op die normenlijst voor de afzonderlijke goederen genoemde maximumbedragen (€ 75,-- voor een eenpersoonsbed, € 115,-- voor een eenpersoonsmatras en € 75,-- voor een kledingkast) bijzondere bijstand heeft toegekend. Van individuele omstandigheden die tot hogere kosten noopten dan de in de normenlijst opgenomen bedragen is volgens de rechtbank niet gebleken.
- In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellante heeft in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat het college bij de toekenning van bijzondere bijstand ten onrechte niet de normbedragen voor de aanschaf van inboedelgoederen van 2010 heeft gehanteerd, maar is uitgegaan van de - volgens haar - lagere normbedragen voor
- 4.
- Uit de gedingstukken blijkt overduidelijk, zoals ook al door de rechtbank is vastgesteld, dat het college de in het gemeentelijke Werkboek WWB voor 2010 opgenomen maximumbedragen heeft aangehouden en uitgekeerd. Appellante heeft haar stelling dat niettemin van onjuiste bedragen is uitgegaan op geen enkele wijze onderbouwd of toegelicht. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit niet te volgen. 4.
- Gelet op wat in 4.2 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart
- (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) R. Scheffer