11/2378 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2011, 10/4560 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 maart 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bronsveld. Voor het Uwv is verschenen drs. M.P.W.M. Wiertz. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant ontvangt sinds 1989 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk per 27 november 2006 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 1.
- Appellant heeft zich per 5 april 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Hij heeft gesteld dat zijn jichtaanvallen en schouderklachten zijn verergerd en dat hij daarnaast last heeft van incontinentieproblemen en psychische klachten. 1.
- Bij besluit van 12 april 2010 heeft het Uwv appellant onveranderd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt geacht. 1.
- Het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2010 is bij besluit van 15 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep onveranderd op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen sinds de beoordeling in 2006 wel degelijk zijn toegenomen en dat dit moet leiden tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Hij heeft gesteld dat hij medische gegevens in het geding heeft gebracht waaruit de toegenomen beperkingen blijken. Appellant stelt dat bij het Uwv bekend was dat hij al eerder psychische klachten had en dat deze in 2009 al zijn toegenomen. De rechtbank heeft er ten ontrechte van afgezien om appellant te laten onderzoeken door een deskundige. Dat er toegenomen klachten zijn blijkt ook uit de hernieuwde WSW-indicatie van 15 april
- Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.1 In dit geschil is de vraag aan de orde of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv in het kader van artikel 39a van de WAO terecht en op goede gronden is gekomen tot de conclusie dat er geen sprake was van toeneming van de arbeidsongeschiktheid van appellant. 4.
- Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden om de door de (bezwaarverzekerings)artsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken onzorgvuldig te achten of de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 16 december 2010 vermeld dat in 1999 bij appellant een sombere stemming is vastgesteld, maar dat hij toen niet onder behandeling was bij een psycholoog of psychiater en geen psychofarmaca slikte. In 2006 heeft appellant geen psychische klachten geclaimd en zijn er geen beperkingen op dit vlak aangenomen, ook niet in verband met spanningshoofdpijn. De jichtklachten van appellant houden geen verband met zijn eerdere rugklachten en terzake de schouder worden er geen beperkingen vastgesteld. Terecht en op juiste gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts hiermee een juiste medische inschatting heeft gemaakt en dat geen sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking tot
- Van een toeneming van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO is daarom geen sprake. Het enkele ervaren van meer (psychische) klachten leidt op zichzelf genomen niet tot meer beperkingen. De door appellant ingebrachte brief van V. Menting, huisarts, van 19 januari 2011 leidt niet tot de conclusie dat door het Uwv ten onrechte niet meer beperkingen zijn gesteld. Ook heeft appellant zijn stelling verder niet met medische stukken onderbouwd. 4.
- Onder de hiervoor gegeven omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.
- Gelet op de overwegingen 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. Voor het toewijzen van schadevergoeding is gelet op deze uitkomst geen plaats. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) G.J. van Gendt KR