← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5370

11/6356 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 september 2011, 10/496 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 maart 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat met ingang van 12 februari 2009 voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 1.
  3. Bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 26 januari 2010 gehandhaafd.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en voldoende daadkrachtig is gemotiveerd. De rechtbank heeft onvoldoende medisch objectieve aanknopingspunten aangetroffen om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat de verzekeringsartsen de voor haar op 12 februari 2009 geldende beperkingen hebben onderschat. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank ten slotte geen aanleiding gezien om de bij de schatting in aanmerking genomen functies niet haalbaar te achten voor appellante.
  5. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij is van mening dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij ten onrechte geschikt wordt geacht voor de haar voorgehouden functies.
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Appellante heeft in hoger beroep de gronden herhaald die zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld waarom de gronden niet slagen. De aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggende overwegingen, zoals samengevat weergegeven onder 2, worden onderschreven. 4.
  8. De stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd noch hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd leiden tot een andersluidend oordeel over de aangevallen uitspraak. De ingezonden brieven van de vader van appellante, het door Humanitas opgestelde persoonlijk plan alsmede de brief van MEE Drenthe bevatten, zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn commentaar van 29 januari 2013 terecht heeft opgemerkt, geen medisch geobjectiveerde bevindingen ten aanzien van appellantes gezondheidstoestand, zodat die gegevens reeds daarom niet tot steun kunnen dienen voor appellantes stelling dat de voor appellante op 12 februari 2009 geldende belastbaarheid niet op juiste waarde is geschat. Daarnaast kan appellantes (subjectieve) beleving van de door haar ervaren klachten naar vaste rechtspraak niet doorslaggevend zijn bij de vaststelling van de naar medisch objectieve bevindingen bestaande arbeidsbeperkingen. Verwezen zij bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Raad van 4 juni 2010, LJN BM
  9. 4.
  10. Gelet op rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  11. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart
  12. (getekend) M.C. Bruning (getekend) I.J. Penning

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.