← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5375

12/3496 WIA-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2012, 12/147 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 maart 2013 Zitting heeft: mr. T. Hoogenboom Griffier: J.R. Baas Ter zitting zijn verschenen: namens appellant mr. F. Bakker, advocaat, en namens het Uwv mr. A.I. Damsma BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 27 januari 2012 ongegrond verklaard. Bij deze beslissing heeft het Uwv zijn besluit van 14 oktober 2011, waarbij appellant met ingang van 2 januari 2012 in aanmerking is gebracht voor een WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld - kort samengevat - dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van het dagloon is uitgegaan van hetgeen wettelijk is bepaald en dat het bestreden besluit de rechtmatigheidtoets kan doorstaan. Het standpunt van appellant dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van de uitkering er ook rekening mee had moeten houden dat appellant voor de aanvang van het refertejaar gedurende meerdere jaren meer dan 28,91 uur per week als tractorchauffeur grondwerken heeft gewerkt, volgt de rechtbank niet. Niet is gebleken dat het refertejaar onjuist is vastgesteld. Uitgaande van het refertejaar - 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 - heeft het Uwv bij de vaststelling van het dagloon op goede gronden (alleen) rekening gehouden met de niet in geschil zijnde inkomsten die tijdens het refertejaar door appellant zijn ontvangen.
  2. Appellant heeft in hoger beroep de gronden van het beroep nagenoeg herhaald. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad toegelicht dat zij haar gronden in hoger beroep niet van een juridische onderbouwing kan voorzien, maar dat zij desondanks de zaak bepleit omdat haar cliënt dat wenst.
  3. De rechtbank heeft de bij haar ingediende beroepsgronden op juiste wijze in de aangevallen uitspraak weergegeven. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De rechtbank heeft dit met juistheid gedaan. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het dagloon is overeenkomstig het bepaalde in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, per 2 januari 2012 op juiste wijze vastgesteld.
  4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) J.R. Baas (getekend) T. Hoogenboom

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.