11/1572 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2011, 10/1822 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 22 maart
- PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.R.A.M. Koolen, advocaat. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft zich op 28 juni 2007 ziek gemeld in verband met verslavingsproblematiek. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is hij op 5 november 2009 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en heeft psychisch en lichamelijk onderzoek bij appellant verricht. Als diagnose is vastgesteld een psychische stoornis door met name alcohol, een depressieve episode, goeddeels in remissie en een na de datum in geding opgetreden voetfractuur. Er is een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt, aan de hand waarvan arbeidskundig onderzoek door de arbeiddeskundige van het Uwv tot de conclusie heeft geleid dat sprake is van een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. 1.
- Bij besluit van 15 december 2009 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 25 juni 2009 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen. Omdat appellant een voorschot op zijn WIA-uitkering had ontvangen, heeft het Uwv dit bij besluit van 4 januari 2010 teruggevorderd. 1.
- Anders dan de verzekeringsarts gaat de bezwaarverzekeringsarts ervan uit dat er op de datum in geding, 25 juni 2009, nog sprake was van een depressieve episode met angstklachten bij appellant. Er zijn verdergaande beperkingen aangenomen, onder meer voor het werken in nachtdiensten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden omdat niet sprake is van een opname, bedlegerigheid of een afhankelijkheid van derden in de zelfverzorging. In het arbeidskundig onderzoek in bezwaar is op basis van de aangepaste FML wederom geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. Bij besluit van 11 mei 2010 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant tegen de onder 1.2 genoemde besluiten ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die een aanknopingspunt geven voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts met de FML van 29 maart 2010 in onvoldoende mate de beperkingen van appellant heeft weergegeven. Daarmee is klaarblijkelijk ook de door appellant betwiste ingangsdatum van de bij besluit van 1 februari 2010 toegekende WGA- uitkering juist geacht. Voorts oordeelt de rechtbank dat appellant redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat hij het betaalde bedrag aan voorschotten zou moeten terugbetalen en dat niet is gebleken van een dringende reden voor het Uwv om van terugvordering af te zien. 3.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen onjuist heeft vastgesteld. Ter zitting heeft hij dit beperkt tot zijn stelling dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv heeft plaatsgevonden juist in een periode dat het (tijdelijk) iets beter met appellant ging. Hij stelt dat uit de rapportage opgemaakt in het kader van de Ziektewet van 10 maart 2009 blijkt dat toen, slechts een paar maanden voor de datum in geding, sprake was van ‘evident geen benutbare mogelijkheden’. Er zijn volgens appellant geen aanwijzingen dat dat op de datum in geding anders zou zijn. Op de datum in geding had hij veelvuldig afspraken met de Jellinek kliniek ter voorbereiding op zijn behandeling, zodat hij reeds daarom niet kon werken. 3.
- Het Uwv heeft er opgewezen dat de bezwaarverzekeringsarts de depressieve klachten en beperkingen als gevolg van de verslavingsproblematiek heeft meegenomen in de beoordeling en appellants gezondheidssituatie heeft beoordeeld op de datum in geding, waarbij alle informatie waarnaar appellant verwijst is betrokken.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Gelet op de gronden van het hoger beroep is in geschil het oordeel van de rechtbank over de weigering van het Uwv om appellant een WIA-uitkering toe te kennen per 25 juni 2009 en de rechtmatigheid van de terugvordering van het aan appellant betaalde voorschot. 4.
- Blijkens de rapportages van de verzekeringsartsen is de verslavingsproblematiek van appellant betrokken bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Dat in het kader van de Ziektewetbeoordeling de verzekeringsarts op 10 maart 2009 rapporteert dat vanwege de terugval in alcoholmisbruik “momenteel evident geen sprake is van benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid”, heeft niet die betekenis die appellant daaraan toekent. Het betreft immers een ander wettelijk toetsingskader en een ander toetsmoment dan die in het kader van de Wet WIA-beoordeling. Het ziektewetdossier, waaronder voormelde rapportage, is overigens door de verzekeringsartsen betrokken bij hun beoordeling. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt ook voldoende dat zij bekend waren met de verslavingsachtergrond van appellant, waarbij komt dat de bezwaarverzekeringsarts aanleiding heeft gezien om, juist in verband met de depressieve episode rond de datum in geding, verdergaande beperkingen op te nemen. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 maart 2010 is bij de beoordeling ook informatie van de Jellinek kliniek, alwaar appellant al vele jaren bekend is, betrokken. Ook de in hoger beroep door appellant nog overgelegde afsprakenlijst en de ‘uren lijst Jellinek activering’ zijn in bezwaar al door appellant ingebracht en waren dus bij de bezwaarverzekeringsarts bekend. Van een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, te weten de opname in een ziekenhuis of instelling, is dan nog geen sprake. Op het moment dat deze situatie zich overigens voordeed, 18 januari 2010, is aan appellant alsnog een WGA-uitkering verstrekt. Hoewel appellant contacten had met de Jellinek kliniek en als onderdeel van de behandeling gesprekken met de Jellinek kliniek en de huisarts voerde en geacht werd activeringsactiviteiten te verrichten, levert dit niet reeds daarom een indicatie voor een urenbeperking op. Er is geen sprake van een opname en evenmin is gebleken dat de tijdstippen van de afspraken die appellant in het kader van deze voorbereiding op de definitieve behandeling moest maken, niet konden stroken met een mogelijkheid om te werken. 4.
- Een uitkering die als voorschot onverschuldigd is betaald, dient op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA door het Uwv te worden teruggevorderd. Van dringende reden om van de terugvordering af te zien is niet gebleken. 4.
- Appellant heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij schade heeft geleden omdat de uitkering eerst als voorschot betaalbaar is gesteld. Hierdoor heeft hij bijvoorbeeld geen huur- of zorgtoeslag gekregen. In het bestreden besluit is niet beslist over eventuele schade. Dat besluit hoefde daarover ook niets in te houden omdat appellant in bezwaar daarmee niets heeft aangevoerd.
- Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart
- (getekend) T. Hoogenboom (getekend) G.J. van Gendt JL