12/2325 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 maart 2012, 11/1289 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 10 april
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari
- Appellant en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN
- Met ingang van 20 september 2010 is appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd. Het Uwv heeft appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht.
- Appellant heeft zich met ingang van 21 februari 2011, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens schouderklachten als gevolg van een val. De verzekeringsarts van het Uwv heeft na onderzoek van appellant de conclusie getrokken dat appellant per 4 juli 2011 niet ongeschikt tot werken is. Bij besluit van 27 juni 2011 is appellant ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 19 augustus 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2011 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig te achten en moet appellant in staat worden geacht enige van de hem in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies te vervullen.
- Appellant heeft hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, in hoger beroep gehandhaafd. Volgens hem was hij gelet op zijn klachten niet tot het verrichten van arbeid in die functies in staat.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.
- Appellant heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als in beroep bij de rechtbank en heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv over de weigering van ziekengeld. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. 5.
- Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april
- (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) I.J. Penning QH