← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7346

11/4212 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 mei 2011, 11/2328 (aangevallen uitspraak) Partijen: [C. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 april 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.G.E. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke. De zaak is gevoegd behandeld met het geding 11/4147 ZW ten name van [A.]. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN
  2. Appellante was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als eerste medewerker bediening bij Shakeh Participaties B.V.. Per 1 december 2009 is het dienstverband door de werkgever opgezegd. Op 24 april 2010 is appellante vervolgens met terugwerkende kracht per 13 februari 2009 ziek gemeld. 2.
  3. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. 2.
  4. Bij brief van 18 november 2010, door het Uwv op 22 november 2010 ontvangen, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 mei
  5. Bij besluit van 4 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
  6. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 17 mei 2010 en dat beoordeeld dient te worden of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In de door appellante aangevoerde redenen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien deze overschrijding verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante er niet op mogen vertrouwen dat de ziekte-uitkering die zij, naar zij heeft gesteld, via de particuliere verzekeringsmaatschappij Goudse verzekering heeft ontvangen automatisch via het Uwv, een uitvoeringsinstituut voor (collectieve) sociale verzekeringswetten, zou doorlopen en door het Uwv zou worden overgenomen. Het argument dat zij weinig juridisch onderlegd is en zich niet bijtijds door een jurist heeft laten adviseren kan, zo heeft de rechtbank geoordeeld, evenmin leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dit reeds omdat niet gebleken is dat appellante zich omtrent het al dan niet indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 17 mei 2010 niet tijdig heeft kunnen laten adviseren door een terzake deskundige. Tot slot heeft de rechtbank, gelet op de bewoording van het bezwaarschrift en de brief van 22 december 2010, geen aanleiding gezien appellante te volgen in haar standpunt, dat het Uwv de brief had moeten opvatten als een herzieningsverzoek.
  7. In hoger beroep is door appellante, op nagenoeg gelijke gronden als in bezwaar en beroep, het standpunt gehandhaafd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante stelt zich wederom op het standpunt dat het Uwv ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek het bezwaarschrift ambtshalve in behandeling te nemen. Daarnaast had het Uwv de brief mede kunnen gebruiken als verzoek om terug te komen van het besluit van 17 mei 2010 dan wel had bij appellante kunnen nagaan wat zij precies met deze brief voor ogen had. 5.
  8. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 5.
  9. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Aan de orde is uitsluitend de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. 5.
  10. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.
  11. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
  12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april
  13. (getekend) Ch. van Voorst (getekend) H.J. Dekker

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.