← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7457

12/545 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 december 2011, 11/2280 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak 16 april

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart
  2. Voor appellante is zonder bericht niemand verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert. OVERWEGINGEN
  3. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  4. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Op 11 mei 2010 heeft zij een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van onder meer een bankstel en vier eetkamerstoelen. Op 22 juni 2010 heeft een huisbezoek plaatsgevonden om de noodzaak van aanschaf of vervanging van deze meubelen te beoordelen. De bevindingen tijdens dat huisbezoek hebben ertoe geleid dat het college de aanvraag bij besluit van 29 september 2010 heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand. 1.
  5. Bij besluit van 21 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2010 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek, zoals weergegeven in de rapportage van 22 september 2010 de noodzaak tot vervanging van het bankstel en de eetkamerstoelen niet aannemelijk is gemaakt. Het bankstel zag er prima uit, de zitting en de leuningen waren in goede staat en de bekleding was niet gescheurd en/of versleten. Uit die rapportage blijkt voorts dat appellante sinds vijf jaar beschikte over vier eetkamerstoelen, die zij in bruikleen had en die zij mocht behouden, dat die stoelen in goede staat verkeerden en dat er geen noodzaak was tot vervanging. 4.
  10. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en betrouwbaarheid van de medewerkers van het college, die belast waren met het huisbezoek en evenmin aan de juiste weergave in de rapportage van de door hen bij dit huisbezoek aangetroffen feitelijke situatie en de door appellante afgelegde verklaring. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een bankstel en vier eetkamerstoelen dan ook terecht gehandhaafd. 4.
  11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april
  13. (getekend) R.H.M. Roelofs (getekend) M.R. Schuurman HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.