← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0065

11/609 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 december 2010, 10/373 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college) Datum uitspraak 14 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart
  2. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van der Veen. OVERWEGINGEN
  3. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
  4. Appellant heeft zich op 10 november 2008 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft vervolgens op 28 november 2008 een aanvraag ingediend met als beoogde ingangsdatum 1 november
  5. 1.
  6. Bij brief van 12 december 2008, aangevuld bij brief van 24 december 2008, is appellant gevraagd uiterlijk 12 januari 2009 diverse, nader aangeduide bescheiden over te leggen. In reactie op dit verzoek heeft appellant enkele van de gevraagde gegevens overgelegd. 1.
  7. Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 1.
  8. In bezwaar heeft appellant alsnog verscheidene gegevens, waaronder zijn bankafschriften over de periode tot en met december 2008, overgelegd. Naar aanleiding van deze gegevens heeft het college bij besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2009 ongegrond verklaard en het besluit van 30 januari 2009 gehandhaafd, deels op andere gronden. Hiertoe heeft het college overwogen dat appellant in de maanden november 2008 en december 2008 geen recht op bijstand heeft omdat hij, gelet op de hoogte van de ontvangen huurinkomsten, beschikte over middelen die hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 januari 2009 kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aangezien appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt over de inkomsten uit verhuur van woonruimte in deze periode.
  9. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  10. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij ten aanzien van zijn inkomens- en vermogenssituatie volledig aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan, dat zijn inkomsten vanaf 1 november 2008, rekening houdend met de eigenaarslasten, negatief zijn en dat hij vanaf dat moment in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
  11. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  12. De te beoordelen periode betreft in dit geval de periode van 1 november 2008 tot en met 30 januari
  13. 4.
  14. Niet in geding is dat appellant in de te boordelen periode eigenaar was van vier panden in Groningen, dat hij kamers in deze panden verhuurde en inkomsten uit verhuur ontving. Voorts was sprake van onderverhuur van een woning in Groningen. 4.
  15. Op grond van artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder inkomen onder meer begrepen inkomsten uit verhuur. 4.
  16. Niet in geschil is dat appellant in de maand november 2008 een bedrag van € 2.820,-- en in de maand december 2008 een bedrag van € 1.956,-- aan huuropbrengsten heeft ontvangen. Appellant kan redelijkerwijs beschikken - in de zin van artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB - over deze huuropbrengsten. De term beschikken dient zo te worden uitgelegd, dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Vaststaat dat de huuropbrengsten op bankrekeningen van appellant werden gestort, over welke rekeningen hij vrijelijk kon beschikken. Niet gebleken is van enige beperking ten aanzien van de beschikkingsmacht over deze gelden. Het feit dat appellant verplicht is om eigenaarslasten van de woningen te betalen, maakt dit niet anders. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 19 juni 2012, LJN BW9170, en 22 januari 2013, LJN BY
  17. Dit betekent dat appellant in de maanden november 2008 en december 2008 beschikte over inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm, zodat geen recht op bijstand bestond. 4.
  18. Wat betreft de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 januari 2009 kan op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting eveneens worden geconcludeerd dat appellant inkomsten genoot uit kamerverhuur en dat hij vrijelijk over deze inkomsten kon beschikken. De hoogte van de inkomsten uit verhuur kan echter - wegens het ontbreken van huurovereenkomsten, alsmede de bankafschriften over deze periode - niet worden vastgesteld. Door niet alle gevraagde gegevens te verstrekken is appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB in het kader van zijn aanvraag om bijstand in onvoldoende mate nagekomen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellant in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 januari 2009 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. 4.
  19. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  20. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei
  21. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) M. Sahin IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.