12/746 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2011, 11/6664 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak 14 mei
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 april 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant heeft in december 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van een verhuizing en huisraad ingediend. 1.
- Bij besluiten van 18 maart 2011 en 24 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van de verhuizing onderscheidenlijk voor huisraad afgewezen. Het college heeft zich met betrekking tot de kosten van de verhuizing op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat sprake is van noodzakelijke kosten. De kosten van vervanging van huisraad zijn voorzienbaar en appellant had hiervoor kunnen reserveren. Het college is niet gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Gelet op de in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden stelt de Raad vast dat het hoger beroep is beperkt tot de afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand voor de kosten van de verhuizing van appellant. 4.
- In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. 4.
- Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 27 januari 2009, LJN BH2282) dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. 4.
- Niet in geschil is dat de kosten van de verhuizing zich voordoen. Anders is dat met betrekking tot het antwoord op de vraag of die kosten noodzakelijk zijn. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat zijn verhuizing noodzakelijk was als gevolg van bedreigingen en brandstichting door toenmalige buurtbewoners waarvoor hij bij de politie aangiftes gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de noodzaak van de verhuizing niet met objectieve en verifieerbare gegevens, zoals een aangifte bij de politie of een verhuisadvies van de wijkagent, de woningverhuurder of zijn maatschappelijke werker heeft onderbouwd. Ook de door appellant gestelde medische noodzaak van verhuizing heeft hij niet met een medische verklaring aannemelijk gemaakt. Appellant heeft niet, zoals aangekondigd, dergelijke gegevens in hoger beroep alsnog overgelegd, zodat hij de noodzaak van de verhuizing niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat de vroegere woning van appellant verwaarloosd was en niet aangepast aan de eisen van de tijd, is onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat de verhuizing om die reden noodzakelijk was. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuiskosten dan ook terecht afgewezen. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei
- (getekend) J.F. Bandringa De griffier is buiten staat te ondertekenen ew