13/63 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 november 2012, 12/731 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 15 mei
- PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [naam gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april
- De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 12/5915 WIA en 12/5917 ZW. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. In de gevoegde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
- Bij besluit van 14 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar zijn beslissing gehandhaafd dat appellant met ingang van 1 mei 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Het Uwv neemt daarbij het standpunt in dat appellant geschikt is te achten voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen met ingang van 21 juli
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv een zorgvuldig onderzoek verricht naar de gezondheidssituatie van appellant ten tijde van belang. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat appellant per 1 mei 2009 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten. In de zich in het dossier bevindende medische gegevens ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten dat de belastbaarheid van appellant ten tijde van belang is overschat. In hetgeen appellant in beroep in dit verband heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op de in beroep overgelegde (medische) stukken en de rechtbank geen redenen heeft om zijn visie in twijfel te trekken. Bovendien wil de rechtbank niet onvermeld laten dat het enkele ervaren van meer klachten op zichzelf genomen niet leidt tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Van belang is niet alleen wat appellant ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. Tenslotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
- Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande klachten.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep de gronden herhaald die hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld waarom die gronden niet slagen. De aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggende overwegingen, zoals samengevat weergegeven onder 2, worden onderschreven. 4.
- De stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd noch hetgeen namens hem ter zitting is aangevoerd leiden tot een andersluidend oordeel over de aangevallen uitspraak. Uit de brief van de tandarts van 27 juni 2012 blijkt dat deze uit de overzichtsfoto van de gehele kaak geen bijzonderheden heeft gevonden. De ingezonden informatie uit 2012 en 2013 over de oogklachten biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de voor appellant per 1 mei 2009 geldende belastbaarheid niet op juiste waarde is geschat. Tot slot heeft appellant geen medische informatie ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat er voor hem meer psychische beperkingen gelden dan door het Uwv is aangenomen. Uit het voorgaande volgt dat ook de Raad geen aanleiding ziet voor het raadplegen van een medische deskundige. 4.
- Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei
- (getekend) C.P.J. Goorden (getekend) H.J. Dekker JL