← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0180

12/2713 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2012, 11/2902 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. t e B.] de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 15 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. Y. Özdemir, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april
  2. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Özdemir. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster voor 20 uur in de week, toen zij zich per 2 maart 2010 voor dit werk heeft ziek gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante tweemaal het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op 21 februari
  4. De arts M.H.M. Ruijter is na dit spreekuur tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 28 februari 2011 geschikt kon worden geacht voor haar laatst verrichte werk als productiemedewerkster. Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 28 februari 2011 beëindigd. 1.
  5. Bij besluit van 10 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, het besluit van 21 februari 2011 gehandhaafd.
  6. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
  7. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij met name vanwege haar psychische klachten haar werk als productiemedewerkster niet kan verrichten. Omdat de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht, is sprake van een ondeugdelijke motivering. De bezwaarverzekeringsarts onderkent dat sprake is van uitgebreide gezondheidsklachten, maar komt ten onrechte tot de conclusie dat appellante daarmee geschikt is voor haar werk. Ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen zijn onderschat, heeft appellante informatie overgelegd van i-psy van 28 juni 2012 en 14 maart 2013, een lijst van afspraken bij i-psy en de radioloog en een overzicht van de door de apotheek verstrekte medicatie. 4.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. 4.
  10. Er bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de arts appellante op het spreekuur van 21 februari 2011 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de status na mammacarcinoom. Bij het onderzoek beschikte de arts tevens over informatie van de behandelend sector, waaronder informatie van de radioloog, de huisarts en de behandelend psychiater R. Soylu. Op basis van het onderzoek en de beschikbare gegevens is de arts tot de conclusie gekomen dat sprake is van lichte beperkingen betreffende persoonlijk en sociaal functioneren en zware kniebelastende arbeid. Nu een dergelijke belasting niet in het laatst verrichte werk van appellante voorkomt, is appellante volgens de arts voor dit werk dan ook geschikt te achten. 4.
  11. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts De Brouwer dossierstudie verricht - waarbij ook aandacht is besteed aan de aanvullende informatie van de huisarts van appellante en psychiater Soylu van 10 september 2011 - en appellante op het spreekuur van 7 oktober 2011 lichamelijk en psychisch onderzocht. In het rapport van 21 oktober 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat zonder twijfel sprake is van uitgebreide gezondheidsklachten. De schildklieraandoening, de suikerziekte, de longklachten en waarschijnlijk ook het eerdere mammacarcinoom beperken appellante enigszins in haar energetische belastbaarheid. Het is voorstelbaar dat appellante daardoor geen zware arbeid kan verrichten en ook geen fulltime functie. Voorts is zij op grond van de klachten van het bewegingsapparaat beperkt voor regelmatig zwaar tillen, langdurig gebogen werken, veel traplopen, veel klimmen, meer dan incidenteel knielen, kruipen of hurken en werken boven schouderhoogte waarbij kracht vereist is. Ten slotte beperken de depressieve klachten appellante wel enigszins, maar maken haar niet ongeschikt voor haar arbeid. Appellante kan vanwege deze klachten niet snel schakelen en de aandacht bij verschillende zaken houden. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat het werk niet te hectisch moet zijn en de taakinhoud duidelijk. Ook moet geen sprake zijn van veelvuldige deadlines en productiepieken. Dergelijke aspecten komen in haar laatst verrichte werk echter niet voor. Ook wordt het werk niet in een kleine afgesloten ruimte verricht en is daarbij ook geen sprake van grote drukte. Daarom is appellante volgens de bezwaarverzekeringsarts niet ongeschikt voor haar laatst verrichte werk van productiemedewerkster voor 20 uur per week. 4.
  12. De in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. Van belang is daarbij dat, zoals de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 13 september 2012 te kennen heeft gegeven, de in hoger beroep overgelegde informatie van i-psy in essentie niet afwijkt van de eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte informatie van psychiater Soylu. Aan de overgelegde afspraakbevestiging van 19 maart 2013 voor een nader onderzoek op de polikliniek Interne Geneeskunde van het Haga Ziekenhuis, kan ten slotte niet die betekenis worden gehecht die appellante daaraan verbonden wil zien, nu deze ziet op een periode ruim na die datum hier in geding, te weten 28 februari
  13. Dit geldt eveneens voor het overzicht van de door de apotheek verstrekte medicatie. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 28 februari 2011 heeft beëindigd.
  14. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, - bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; - wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei
  16. (getekend) C.P.J. Goorden (getekend) H.J. Dekker JvC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.