← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0342

11/4110 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2011, 10/1986 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 8 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.H. Burger, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart
  2. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Burger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. OVERWEGINGEN 1.
  3. Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 3 februari 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Aan dit besluit liggen een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige rapportage ten grondslag, waaruit blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59%. Dit laatste is bij brief van 19 oktober 2006 aan appellante meegedeeld. 1.
  4. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 10 december 2008 gezien door een verzekeringsarts van het Uwv. Blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 4 maart 2009 wordt appellante beperkt belastbaar voor arbeid geacht en is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt. In de arbeidskundige rapportage van 30 oktober 2009 is het verlies aan verdienvermogen berekend op 37,10%. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt omdat het verlies aan verdienvermogen per 9 oktober 2009 onveranderd tussen de 35 en 80% ligt. 1.
  5. Voorafgaand aan het besluit van 2 december 2009 heeft appellante een besluit gedateerd 7 september 2009 ontvangen, waarin onder meer staat vermeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante eindigt op 3 februari 2010 en dat zij vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering van (excl. vakantiegeld) € 1.945,10 bruto per maand. In de toelichting op het besluit staat: “U verdient op dit moment tenminste het maandinkomen dat u volgens onze arbeidskundige kunt verdienen”. Vervolgens is als het huidige maandinkomen € 0,00 vermeld. 1.
  6. Bij besluit van 3 december 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 3 februari 2010 en dat ze vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering. Omdat appellante 35 tot 45% arbeidsongeschikt is en minder dan de helft van haar verdienvermogen van € 2.153,69 bruto per maand verdient, heeft zij recht op een WGA-vervolguitkering van 28% van € 1.510,
  7. 1.
  8. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 december
  9. Bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam heeft op 6 mei 2010 een nieuwe FML opgesteld waarin meer beperkingen op het psychische vlak zijn opgenomen. Op basis van deze nieuwe FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog blijkens de rapportage van 10 mei 2010 nieuwe functies geselecteerd, waarmee een verlies aan verdienvermogen van 64,93% is berekend. Hiermee bedraagt de voor appellante geldende arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Bij besluit van 12 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering met ingang van 3 februari 2010 gesteld op 42% van € 1.520,
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, omdat appellante bij de toekenning van haar uitkering in 2006 niet is opgekomen tegen het niet-vermelden van de inkomenseis, ze nu niet met succes de inkomenseis kan aanvechten. Aan het besluit van 7 september 2009 kan ze niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat ze volledig arbeidsongeschikt was omdat er nog geen arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, als dit besluit dit vertrouwen wel zou hebben gewekt, dit vertrouwen niet langer dan twee maanden heeft geduurd omdat haar bij brief van 5 november 2009 is meegedeeld dat de registratie van volledige arbeidsongeschiktheid een “kennelijke misslag” was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, omdat het gaat om de toekenning van een vervolguitkering, er in bezwaar nieuwe functies kunnen worden geselecteerd.
  11. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er voor haar geen inkomenseis geldt, omdat die bij de toekenningsbeslissing niet is gesteld en zij door het Uwv, gelet op het besluit van 7 september 2009, 80 tot 100% arbeidsongeschikt is bevonden. Pas na twee maanden, te weten bij het besluit van 3 december 2009, is dit gewijzigd, zodat voor haar gedurende 24 maanden hierna nog geen inkomenseis geldt. Daarnaast heeft appellante gesteld dat er in bezwaar geen nieuwe functies mogen worden geselecteerd, zodat gelet op de zogenaamde aanzegjurisprudentie het gegrond verklaren van het bezwaar tot een resterende verdiencapaciteit van 0% en dus tot een arbeidsongeschiktheid van 100% had moeten leiden.
  12. Het Uwv heeft naar voren gebracht dat appellante bij de toekenning van de WGA-uitkering in 2006 is geïnformeerd over de resterende verdiencapaciteit en daarmee over de inkomenseis en dat het besluit van 7 september 2009 niet vermeldt dat ze 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Het Uwv acht de aanzegjurisprudentie niet van toepassing.
  13. De Raad overweegt als volgt. 5.
  14. Het Uwv dient in het besluit waarbij wordt vastgesteld dat recht is ontstaan op een WGA-uitkering, de door hem vastgestelde inkomenseis mee te delen aan de uitkeringsgerechtigde. Indien het Uwv dit heeft nagelaten betekent dit echter niet dat, zoals door appellante wordt betoogd, de inkomenseis daarmee niet is vastgesteld. De inkomenseis is ingevolge artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Met de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit is daarmee ook de inkomenseis gegeven. De verplichting van het Uwv om de inkomenseis aan de uitkeringsgerechtigde mee te delen, staat hier los van. Deze beroepsgrond faalt. 5.
  15. Artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat de inkomenseis niet meer geldt nadat de verzekerde ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Appellante heeft betoogd dat met het in 1.3 weergegeven besluit van 7 september 2009 is komen vast te staan dat haar verdienvermogen onder de in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA bedoelde 20% is gekomen en dat dit langer dan twee maanden heeft geduurd omdat eerst met het besluit van 3 december 2009 is komen vast te staan dat, per 3 februari 2010, sprake is van een verdiencapaciteit van meer dan 20%. Appellante kan hierin niet worden gevolgd. Weliswaar blijkt uit het procesdossier dat een tijdlang in het systeem van het Uwv geregistreerd heeft gestaan dat de voor appellante geldende arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% bedroeg en is volgens de door appellante overgelegde mail van 25 september 2009 met haar gecommuniceerd dat zij ervan uit kon gaan dat voor haar deze klasse gold, maar dat betekent niet dat voor appellante deze arbeidsongeschiktheidsklasse ook geldt. Evenwel kan uit het besluit van 7 september 2009 worden afgeleid dat appellante niet over enig verdienvermogen beschikt, maar dit besluit berust, zoals ook door het Uwv bij brief van 5 november 2009 aan appellante is meegedeeld, op een “kennelijke misslag”. Uit het besluit van 20 oktober 2006, waarmee aan appellante per einde wachttijd een WIA-uitkering is toegekend, blijkt dat haar WIA-uitkering is gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80%. Vóór het besluit van 7 september 2009 heeft er geen herbeoordeling, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige boordeling, plaatsgehad, zodat het besluit van 7 september 2009 in die zin niet berust op een volledige herbeoordeling. Nadat de herbeoordeling is voltooid met een arbeidskundige beoordeling is het arbeidsongeschiktheidspercentage bij besluit van 2 december 2009 per 9 oktober 2009 vastgesteld op 37,
  16. Vervolgens vermeldt het besluit van 3 december 2009 dat, in overeenstemming met het besluit van 2 december 2009, appellante 35 tot 45% arbeidsongeschikt is. Hiermee is duidelijk geworden dat het besluit van 7 september 2009 op een onjuiste grondslag berust en dat daarop door het Uwv is teruggekomen. Niet valt in te zien dat het Uwv het besluit van 7 september 2009, nu dit overduidelijk op een misslag berust, niet heeft mogen herzien. Dit betekent dan ook dat appellante niet in de situatie heeft verkeerd dat zij een verdienvermogen van minder dan 20% heeft gehad, zodat zij niet voldoet aan het bepaalde in artikel 60, tweede en derde lid, van de Wet WIA. Ook de beroepsgrond van appellante dat voor haar 24 maanden na 3 februari 2010 geen inkomenseis geldt, faalt. 5.
  17. Zoals weergegeven in 1.5 is bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid ten opzichte van de primaire besluitvorming verhoogd naar 64,93% en is het uitkeringspercentage van de vervolguitkering verhoogd. Anders dan appellante heeft betoogd ziet de zogeheten aanzegjurisprudentie, als gevolg waarvan het in de fase van bezwaar selecteren van nieuwe functies bij een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid onder voorwaarden toelaatbaar is, uitsluitend op een situatie waarin een uitkering wordt herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Dit is hier niet het geval. Reeds om deze reden faalt deze beroepsgrond. 5.
  18. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.
  19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei
  20. (getekend) M.C. Bruning (getekend) J.R. Baas IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.