← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0344

11/4988 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 juli 2011, 10/1804 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak 3 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart
  2. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellant is werkzaam geweest als beleidsmedewerker/aanvuller in een coffeeshop voor 40 uur per week en is op 7 oktober 2003 uitgevallen wegens polsklachten als gevolg van een motorongeluk in
  4. Het Uwv heeft geweigerd appellant na de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij met ingang van 5 oktober 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is hem bij besluit van 18 december 2007 met ingang van 2 maart 2007 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek in verband met gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid in januari 2009 heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2009 vastgesteld dat appellant op 20 maart 2009 onveranderd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Appellant heeft tegen het besluit van 18 december 2007 noch tegen het besluit van 23 maart 2009 rechtsmiddelen aangewend. 1.
  5. Bij brief van 25 mei 2010 heeft appellant zich met toegenomen klachten tot het Uwv gericht met het verzoek hem in te delen in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Na medisch onderzoek in juni 2010 heeft het Uwv appellant bij besluit van 7 juli 2010 met ingang van 29 juni 2009 een WAO-uitkering toegekend berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 1.
  6. Bij beslissing op bezwaar van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2010 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 juni 2009 nader vastgesteld op 55 tot 65%. Het Uwv heeft in het bestreden besluit overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep na herbeoordeling tot dezelfde conclusie is gekomen als de primaire verzekeringsarts, maar dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele functies heeft laten vervallen waardoor de theoretische verdiencapaciteit verlaagd is en bovendien het maatmanloon anders heeft vastgesteld, waardoor hij tot een gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de ingebrachte beroepsgronden is af te leiden dat appellant, behalve de ingangsdatum van de herziening, de medische grondslag van het bestreden besluit, alsmede de passendheid van de in aanmerking genomen functies aanvecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek tot een volledig en juist beeld geleid van de medische situatie van appellant en is niet gebleken dat zijn klachten zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Met betrekking tot de ingangsdatum van de herziening heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 28 september 2010 uiteengezet waarom zij van mening is dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het verleden juist is vastgesteld en waarom de gekozen datum van herziening juist is vastgesteld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien deze visie voor onjuist te houden, met name nu appellant onvoldoende gegevens heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellant in medisch opzicht per 29 juni 2009 in staat is tot het vervullen van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies van “receptionist, baliemedewerker” (sbc-code 315150), “portier, toezichthouder”(sbc-code 342021) en “verkoper winkel”(sbc-code 317014).
  8. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak aanvankelijk bestreden voor zover daarin is geoordeeld dat de medische situatie van appellant niet onjuist is ingeschat en de ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op 29 juni
  9. Nu appellant zowel in november 2007 als in januari 2009 bij het Uwv om ophoging van zijn WAO-uitkering heeft verzocht vanwege al sinds langere tijd bestaande toegenomen pijnklachten, had het Uwv de verhoogde WAO-uitkering met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 29 juni 2009 moeten toekennen. Bij brief van 20 februari 2013 heeft appellant te kennen gegeven zich alleen niet te kunnen verenigen met de door het Uwv gehanteerde ingangsdatum van de herziening van zijn WAO-uitkering.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. Allereerst kan worden vastgesteld dat tegen de bij overweging 1.1 genoemde besluiten van 18 december 2007 en van 23 maart 2009 geen rechtsmiddelen zijn aangewend en dat als gevolg daarvan deze besluiten in rechte vast staan. Voor zover appellant van mening is dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 2 maart 2007 en van 20 maart 2009 onjuist is vastgesteld, had hij bij het Uwv een verzoek moeten indienen om terug te komen van voorgenoemde besluiten, waarbij dan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hadden moeten worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De brief van appellant van 25 mei 2010 kan, gezien de inhoud daarvan, niet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de betreffende besluiten. Het standpunt van het Uwv dat deze besluiten thans niet ter discussie staan kan worden onderschreven. 4.
  12. In geschil is, gezien de slotzin van overweging 3, alleen nog de vraag of de ingangsdatum van de verhoogde WAO-uitkering terecht is vastgesteld op 29 juni 2009 dan wel met ingang van een eerdere datum in de periode vanaf de voorlaatste beoordeling, die gold vanaf 20 maart 2009 tot 1 juni 2009, had moeten worden vastgesteld. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is er ook thans geen aanleiding het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden dat als datum van toegenomen arbeidsongeschiktheid 1 juni 2009 moet worden aangenomen nu appellant omstreeks deze datum aan zijn huisarts verzocht heeft om een second opinion te laten uitvoeren in het Academisch Ziekenhuis te Maastricht en voorts eerst in mei 2010 een herbeoordeling heeft aangevraagd. In hoger beroep zijn geen objectieve relevante gegevens ingebracht die aanleiding kunnen geven om over voornoemde vraag tot een ander oordeel te komen. 4.
  13. Gelet op de overwegingen 4.1 en 4.2 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
  14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei
  15. (getekend) C.W.J. Schoor (getekend) G.J. van Gendt sg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.