11/4614 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 juni 2011, 10/1203 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 mei 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013 alwaar niemand is verschenen. OVERWEGINGEN 1.
- Bij schrijven van 10 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant een specificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering over oktober 2010 toegestuurd. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.
- Bij besluit van 7 december 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De uitkeringsspecificatie voldoet niet aan dit begrip. Het is geen rechtshandeling, dat wil zeggen dat het niet is gericht op (een beoogd) rechtsgevolg. Het bezwaar is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 3.
- In hoger beroep heeft appellant de hoogte van de beslagvrije voet aan de kaak gesteld. Het Uwv behoort dit zelf te beoordelen. Ook bestrijdt appellant de afspraak die tussen hem en het Uwv gemaakt zou zijn over de hoogte van het bedrag van de verrekening. Tot slot heeft de rechtbank onbesproken gelaten de grond van appellant dat ten onrechte van een hoorzitting is afgezien. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Met de rechtbank - en op de haar gebezigde overwegingen - is de Raad van oordeel dat het schrijven van 10 oktober 2010 geen besluit is in de zin van de Awb. De Raad volstaat met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank. 4.
- De Raad voegt hier aan toe dat indien een bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, een bestuursorgaan overeenkomstig artikel 7:3, sub a, van de Awb, kan afzien van een hoorzitting. 4.
- Nu het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, kan aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil niet toegekomen worden.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigt.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei
- (getekend) I.M.J. Hiljorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt