11/7318 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2011, 11/5777 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 mei 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april
- Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. W. de Rooy-Bal. Tevens was aanwezig dr. P.L. Venema, uroloog. OVERWEGINGEN 1.
- Bij besluit van 8 november 2010 heeft het Uwv geweigerd appellante per 15 december 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. 1.
- Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2010 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat de medische kant van de schatting juist is. Met de beperkingen, ook met het noodzakelijke veelvuldige toiletgebruik, is in voldoende mate rekening gehouden. Het arbeidskundige deel van de schatting is eveneens juist. Appellante is niet geschikt geacht voor haar eigen werk, maar op grond van geduide functies is ze minder dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WIA. De belasting van de aan de schatting ten grondslag liggende functies overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet. In alle functies kan appellante naar behoefte gebruik maken van het toilet. De grond van appellante dat ze de functie huishoudelijk medewerker gebouwen niet kan vervullen omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, faalt. De rechtbank heeft verwezen naar de relevante bepalingen uit het Schattingsbesluit. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard. 3.
- In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij niet in staat is de aan de schatting ten grondslag liggende functies herhaald. Zij is, vanwege urologische problemen, genoodzaakt om iedere 30 minuten naar het toilet te gaan. Ter zitting heeft dr. Venema een nadere toelichting gegeven over de klachten van appellante. Hij heeft verteld dat de plasfrequentie erg wisselt bij appellante. Daarbij heeft hij aangegeven dat dit ook grote psychische problemen teweeg brengt. 3.
- Appellante heeft voorts ter zitting verwezen naar een pagina van een rapportage van een arbeidsdeskundige die betrekking heeft op iemand anders dan appellante. In die zaak gaat het om een persoon die, net als appellante, allergisch is voor huisstofmijt. De arbeidsdeskundige heeft daar aangegeven dat de functie 111161 (produktiemedewerker vouwen) voor die persoon niet passend is vanwege de huisstofmijtallergie. Diezelfde functie is ook voor appellante geduid. Het is niet begrijpelijk waarom appellante wel geschikt is geacht voor die functie en iemand met dezelfde allergie niet. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank, zoals is weergeven in de aangevallen uitspraak. 4.
- Met betrekking tot de urologische klachten van appellante is niet met objectieve medische stukken aangetoond dat zij op dit punt meer beperkingen voor het verrichten van arbeid ondervindt dan is aangenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Weliswaar heeft dr. Venema de problematiek nader toegelicht, maar hier is niet uit gebleken dat het Uwv de situatie niet juist heeft ingeschat. In de FML is opgenomen dat appellante elke 30-60 minuten een toilet moet kunnen bezoeken en dat is in overeenstemming met hetgeen dr. Venema heeft aangegeven. 4.
- De in 3.2 naar voren gebrachte grond met betrekking tot de huisstofmijtallergie kan niet slagen. De arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige hebben genoegzaam uiteen gezet waarom de huisstofmijtallergie er voor appellante niet aan in de weg staat om de functies te vervullen. Het vergelijk met een ander persoon kan niet tot een ander oordeel leiden. Het is in het geheel niet duidelijk welke beperkingen die andere persoon heeft en om welke functie het precies gaat. In elk geval ligt de te beoordelen datum ruim een jaar voor de datum in dit geding, in welke tijd de functie veranderd kan zijn. Daarnaast staat iedere beoordeling op zich zelf en de arbeidsdeskundige heeft beschreven waarom appellante, met haar beperkingen, de functies kan vervullen.
- Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigt.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt