12/5727 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 september 2012, 12/3152 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister) Datum uitspraak: 17 mei 2013 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft dr.ir. N.J.T.A. Kramer hoger beroep ingesteld. De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april
- Namens appellant is verschenen dr.ir. Kramer. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) genoten in de vorm van een prestatiebeurs gedurende, voor zover hier van belang, de periode oktober 2005 tot en met augustus
- 1.
- Bij besluit van 9 januari 2011 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat de in 1.1 genoemde prestatiebeurs is omgezet in een gift en dat deze niet behoeft te worden terugbetaald. 1.
- Bij besluit van 21 januari 2012 heeft de Minister aan appellant mededeling gedaan van een ten laste van appellant vastgestelde vordering wegens meerinkomen over
- In verband daarmee is van appellant een bedrag gevorderd van € 2.119,
- Het tegen het besluit van 21 januari 2012 gemaakte bezwaar is door de Minister bij besluit van 2 april 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat de prestatiebeurs en het daaraan gekoppelde reisrecht zijn omgezet in een gift niet betekent dat geen vordering wegens meerinkomen zou kunnen worden opgelegd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De rechtbank heeft de bij haar ingediende beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad ziet geen aanleiding over de aangevoerde gronden, die in hoger beroep zijn herhaald, anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij maakt dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. 4.
- Hoewel delen van de tekst van het besluit van 21 januari 2012 anders doen vermoeden, gaat het blijkens artikel 3.17 van de Wsf 2000 bij een vordering wegens meerinkomen niet om terugbetaling van prestatiebeurs en reisrecht, maar om een autonome vordering. Aan het besluit van 9 januari 2011, dat uitsluitend betrekking heeft op de omzetting van de prestatiebeurs in een gift, komt daarom bij de beoordeling van het geschil tussen appellant en de Minister geen betekenis toe. Aan het besluit van 9 januari 2011 kan ook niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat er geen vordering wegens meerinkomen (meer) zal worden opgelegd, ook niet wanneer daarbij de wetenschap wordt betrokken dat het inkomen van appellant over 2009 al in 2010 bij de Minister bekend kon zijn. Bovendien kan niet worden gezegd dat de Minister met het opleggen van de vordering te lang heeft gewacht. Het besluit van 9 januari 2011 en het tijdsverloop vanaf die datum tot het opleggen van de vordering wegens meerinkomen bij besluit van 21 januari 2012 zijn - ook - in dit verband niet relevant. 4.
- De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om toekenning van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep -bevestigt de aangevallen uitspraak; -wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei
- (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen (getekend) G.J. van Gendt JvC