← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0543

12/5410 WIJ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 augustus 2012, 12/1648 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B.] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college) Datum uitspraak 21 mei

  1. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april
  2. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Slotboom en M.G. Bohm. OVERWEGINGEN
  3. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rechtsoverweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.
  4. Appellante, geboren [in] 1984, heeft zich na haar verhuizing vanuit Amsterdam naar Krommenie op 21 juli 2011 gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het aanvragen van een uitkering. Omdat zij blijkens de aanvraag inwoonde bij een man van dezelfde leeftijd, M.W. [D.] ([D.]), hebben twee consulenten werk en inkomen van de gemeente Zaanstad op 8 september 2011 een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Bij dat huisbezoek is gesproken met [D.], is de woning bezichtigd en heeft appellante een verklaring afgelegd over haar woon- en leefsituatie. [D.] beschikte toentertijd over een inkomen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een door beide consulenten ondertekend rapport. 1.
  5. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 12 september 2011, na bezwaar gehandhaafd en aangevuld bij besluit van 16 februari 2012, voor zover hier van belang, (bestreden besluit) afwijzend beslist op de aanvraag van appellante. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [D.] en daarom niet in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) en evenmin vanaf 18 augustus 2011, de datum waarop appellante de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt, voor bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Tussen partijen is uitsluitend in geschil, kort gezegd en voor zover hier van belang, of appellante in de hier te beoordelen periode van 21 juli 2011 tot en met 12 september 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met [D.]. 4.
  10. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WIJ en artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4.
  11. Volgens appellante maakte alleen zij feitelijk gebruik van de woning op het uitkeringsadres en was [D.] daar niet of nauwelijks aanwezig, zodat hij niet zijn hoofdverblijf had in die woning. Vaststaat dat [D.] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens vanaf 27 mei 2011 staat ingeschreven op het uitkeringsadres en dat hij, volgens het opgestelde huurcontract, twee van de vier kamers van die woning met ingang van 21 juli 2011 aan appellante verhuurt. Voorts heeft appellante op het formulier Aanvraag bijstandsuitkering WWB en het Inlichtingenformulier WIJ en WWB vermeld dat [D.] medebewoner is, onderscheidenlijk dat hij de andere persoon is die op haar adres verblijft. Bij het huisbezoek op 8 september 2011 heeft [D.] de beide consulenten aan de voordeur te woord gestaan en, desgevraagd, bevestigd dat hij de hoofdbewoner is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat [D.] ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf op een ander adres dan het uitkeringsadres had. Dat [D.], zoals appellante stelt, nauwelijks in de woning aanwezig was, betekent op zichzelf niet dat hij op een ander adres zijn hoofdverblijf had. De stelling van appellante dat hij toentertijd niet in de woning verbleef valt ook niet te rijmen met de verklaring van appellante tijdens het huisbezoek dat zij en [D.] gezamenlijk boodschappen doen en gezamenlijk eten. 4.
  12. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. 4.
  13. Uit de bevindingen bij het huisbezoek en de door appellante bij die gelegenheid afgelegde verklaring moet worden afgeleid dat van een door zakelijke verhoudingen beheerste huurrelatie geen sprake is. [D.] heeft verklaard dat hij en appellante goede vrienden zijn, dat zij woonruimte nodig had en hij haar heeft geholpen. Appellante heeft verklaard dat zij van de gehele woning gebruik mag maken, hetgeen ook is waargenomen. Appellante maakt naast de twee door haar in gebruik zijnde kamers ook gebruik van de woonkamer. Waargenomen is dat in de woonkamer een box en wipstoeltje voor de dochter van appellante stonden, post en kleding van appellante lagen en een computer van appellante stond die verbonden was met een monitor die [D.] toebehoorde. Ook is waargenomen dat in de inbouwkast in de kamer van de dochter zowel kleding van appellante als van [D.] lag. Appellante heeft verklaard dat zij en [D.] samen boodschappen doen en eten en dat zij de meeste was doet. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste huurrelatie. In de situatie van appellante is de grens overschreden van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is. De genoemde feiten en omstandigheden wijzen uit dat appellante en [D.] ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. 4.
  14. Uit het vorenstaande volgt dat appellante in de te beoordelen periode met [D.] een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WIJ en de WWB. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei
  16. (getekend) J.C.F. Talman (getekend) M. Sahin Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.