← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2013:CA0567

12/437 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 december 2011, 10/557 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april

  1. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 november 2009, LJN BK3397, geoordeeld dat ten tijde van het indienen van het bezwaar van appellante van 22 maart 2007 tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) het college nog niet in gebreke was tijdig een besluit te nemen. De Raad heeft het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de Raad overwogen dat het college nog dient over te gaan tot het nemen van een besluit inzake de verlening van bijstand aan appellante. 1.
  4. Bij brief van 25 november 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de weigering van het college om op haar aanvraag van 23 januari 2007 te beslissen. 1.
  5. Bij besluit van 18 december 2009 heeft het college aan appellante met ingang van 23 januari 2007 bijstand op grond van de WWB toegekend. 1.
  6. Bij besluit van 4 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van 25 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college nog acht weken na bekendmaking van de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad de tijd had om een beslissing te nemen en was het college ten tijde van het schrijven van 25 november 2009 wel in gebreke tijdig te beslissen en derhalve ook een dwangsom verschuldigd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. De rechtbank heeft terecht het schrijven van appellante van 25 november 2009 aangemerkt als een ingebrekestelling gelet op de met ingang van 1 oktober 2009 in werking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank van oordeel dat na de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad het college nog acht weken de tijd had om op de aanvraag van 23 januari 2007 te beslissen. Vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 8 maart 2012, LJN BV
  11. Het betoog van appellante treft derhalve geen doel. Nu het college met het besluit van 18 december 2009, zoals vermeld onder 1.3, binnen de termijn van acht weken na de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad heeft beslist, was er geen sprake van een situatie dat het college in gebreke was en bestond voor het toekennen van een dwangsom geen grond. 4.
  12. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei
  14. (getekend) Y.J. Klik (getekend) M. Sahin HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.