11/4242 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2011, 10/3712 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [A. te B.] (betrokkene) Datum uitspraak: 22 mei 2013 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 april
- Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Rebergen en B. Epozdemir, tolk. OVERWEGINGEN 1.
- Betrokkene is van 23 juli 2007 tot en met 22 januari 2008 werkzaam geweest als productiemedewerker in de textielfabriek [naam vof]. Op 31 maart 2008 heeft betrokkene zich ziek gemeld als gevolg van nek- en schouderklachten en psychische klachten. Betrokkene heeft op 23 november 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. 1.
- Bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 11 mei 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij zijn weigering gehandhaafd om betrokkene een WIA-uitkering te verstrekken. Volgens appellant was betrokkene reeds bij aanvang van haar WIA-verzekering volledig arbeidsongeschikt. Aan het bestreden besluit liggen de rapporten van 8 oktober 2010 van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank, gelet op de beschikbare medische informatie van betrokkene, overwogen dat geen sprake is van voldoende en ondubbelzinnige indicaties om het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering aan te nemen.
- In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ten tijde in dit geding van belang bepaalde artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dat volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA als uitsluitingsgrond geldt voor het ontstaan van recht op uitkering. Ingevolge artikel 46, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet WIA was artikel 43, onderdeel c, van toepassing indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering. 4.
- Zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is het vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2009, LJN BH2844) dat de door de Raad gevormde rechtspraak ten aanzien van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ook van toepassing is op de artikelen 43, aanhef en onder c, en 46 van de Wet WIA. Volgens die rechtspraak is voor toepassing van de onderhavige uitsluitingsgrond vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bevatten voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Het enkele feit dat klachten of beperkingen bij aanvang van de verzekering bestaan, is niet toereikend voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. 4.
- Naar aanleiding van de aanvraag voor een WIA-uitkering heeft betrokkene op 18 februari 2010 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft een anamnese afgenomen en kennisgenomen van de dossierstukken. In zijn rapport van gelijke datum is hij tot de conclusie gekomen dat betrokkene per einde wachttijd in medisch opzicht volledig arbeidsongeschikt is. Er is sprake van (forse) beperkingen bij aanvang van de verzekering voor de Wet WIA. De beperkingen bij aanvang van de verzekering ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, heeft de verzekeringsarts neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 februari
- Met een aanscherping van het punt ‘samenwerken’ in de FML heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Vervolgens is een bezwaararbeidsdeskundige op grond van de bijgestelde FML en een eigen onderzoek tot de conclusie gekomen dat betrokkene bij aanvang van de verzekering ingevolge de Wet WIA volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. 4.
- De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat er in het geval van betrokkene voldoende en ondubbelzinnige indicaties zijn voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. In het rapport van 18 februari 2010 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat betrokkene bij aanvang verzekering al diverse somatoforme klachten in de vorm van nek- en rugklachten had, alsmede psychische klachten waarvoor zij in 2003 in Turkije in een ziekenhuis is opgenomen geweest. Volgens de verzekeringsarts sleepte de problematiek al langere tijd en heeft de huisarts betrokkene geadviseerd om wat te gaan werken. Ook is betrokkene zeer vaak ziek geweest, heeft zij weinig gedaan en niet normaal gefunctioneerd. Bij zijn beoordeling heeft de verzekeringsarts medische informatie van de behandelende psychiater en van de huisarts betrokken. De verzekeringsarts heeft gesteld dat al met al er bij aanvang verzekering forse beperkingen waren en forse twijfels kunnen worden geuit wat betreft de belastbaarheid van betrokkene voor de vrije arbeidsmarkt. In meergenoemd rapport van 8 oktober 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat betrokkene al jaren lijdend is aan een psychogene pijnstoornis die periodiek aanleiding gaf tot opname in een (psychiatrisch) ziekenhuis. Gezien de hardnekkigheid van de pijnklachten en het veelvuldig beroep op artsen is het volgens de bezwaarverzekeringsarts niet aannemelijk dat betrokkene geen beperkingen zou hebben ondervonden voor aanvang van haar werkzaamheden. Volgens hem is het ook niet aannemelijk dat betrokkene gelet op haar klachten en leefwijze direct voor 40 uur per week belastbaar zou zijn geweest, omdat het in wezen gaat om een volstrekt vastgelopen, reeds jaren bestaande situatie. 4.
- De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 8 oktober 2010 ten aanzien van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene aangegeven dat hij de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige onderschrijft dat bij aanvang verzekering voor betrokkene geen voorbeeldfuncties zijn te duiden. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige vermeld dat de voor de functieduiding meest in het oog springende beperking van betrokkene op het gebied van handelingstempo in het dagelijkse leven, aanmerkelijk is vertraagd. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige betreft dat een zeer ernstige beperking die werken in loondienst in het reguliere bedrijfsleven, zeker in combinatie met de overige beperkingen van betrokkene, uitsluit. De Raad is van oordeel dat het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige bevestiging vindt in de wijze waarop betrokkene, volgens de telefonische verklaringen van haar werkgever van 29 juli 2008 en 4 mei 2010, bij [naam vof] heeft gefunctioneerd.
- Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep moet ongegrond worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei
- (getekend) Ch. van Voorst (getekend) D.E.P.M. Bary